Zoek
zaterdag 4 februari 2012  RAVON » Veel gestelde vragen » Broeihopen Registreren  Inloggen

 Broeihopen voor ringslangen

broeihoop_richard.jpgBroeiplaatsen voor de eieren

Over natuurlijke eiafzetplekken van de ringslang is weinig bekend. In natuurlijke riviersystemen zullen dit waarschijnlijk hopen bij elkaar gespoeld organisch materiaal zijn en (misschien) beverburchten. In venen zijn drooggevallen horsten van bijvoorbeeld zeggen of russen geschikt. Ingerotte boomstobben en dichte lagen organisch materiaal met broei kunnen ook gebruikt worden.

In ons land worden veel eieren gelegd in mest- en composthopen. De ringslang profiteert van een hoge dichtheid aan eiafzetplekken. Speciaal voor de soort kunnen dan ook broeihopen worden aangelegd (Zuiderwijk et al., 1991; Zuiderwijk et al., 1993).

Aanleg van broeihopen

Broeihopen zijn van groot belang voor de voortplanting van ringslangen. Deze hopen moeten aan een aantal voorwaarden voldoen. Het is belangrijk dat het materiaal voldoende los is, zodat een ringslangvrouwtje er gemakkelijk in kan kruipen. (De eitjes worden meestal op een diepte tussen 20 en 60 cm diep afgezet.) De temperatuur in de hoop moet constant rond de 25 tot 30°C zijn. En de hoop moet voldoende vochtig zijn. Mest, compost en bladeren vormen een geschikt substraat.

eieren_nn_annemarie.jpgNa èèn tot twee jaar is een broeihoop "uitgewerkt". Er moet dus regelmatig een nieuwe aangelegd worden. Omdat ringslangen geschikte eiafzetplaatsen lange tijd blijven bezoeken, moeten goede broeihopen op dezelfde plaats gehandhaafd blijven. Werkzaamheden aan broeihopen dienen tussen midden april en eind mei uitgevoerd te worden of in oktober. Op die manier worden legsels en overwinterende dieren niet beschadigd of gestoord.

Grote hopen (>15 m2) worden vaker gebruikt dan kleine. Een goede standaard-broeihoop is 1,5 meter breed, 3 meter lang en 1,2 meter hoog (minimummaten: 1,6 meter bij 1,2 meter en 1 meter hoog). Met name bladhopen, waarin takken zijn verwerkt, worden vaak gebruikt. Ook een mengsel van compost en mest blijkt goed te voldoen. De takken dienen voornamelijk in het midden van de broeihoop verwerkt te worden (Zuiderwijk et al, 1993). Pure mesthopen scoren wezenlijk slechter. Composthopen scoren weer wat beter.

In natuurgebieden moet materiaal voor een broeihoop niet van buiten het gebied worden gehaald. In voedselarme gebieden zoals heide en veen moet niet met mest of compost gewerkt worden. In ieder type leefgebied moet met gebiedseigen materiaal (afgevallen blad, maaisel van gras, riet of waterplanten, rot hout etc.) gewerkt worden.

Als lokatie moet je een plaats in ringslangleefgebied kiezen, op overbrugbare afstand van een al gebruikte eiafzetplaats. Beschutting in de omgeving is van belang. Geschikte lokaties zijn bosranden, langs houtwallen en heggen of langs dichte ruigtevegetaties. Broeihopen dienen zonnig gelegen te zijn. Ook moeten ze op ruime afstand van wegen worden aangelegd (Zuiderwijk et al., 1993).

Foerageerbiotoop

De ringslang is vooral bij het water jagend aan te treffen. Het gaat daarbij vaak om grotere wateren met een rijke oever- en onderwatervegetatiestructuur.

Voedsel

ringslang_arnold.jpgHet voedsel bestaat vooral uit amfibieën. Ook eet de ringslang vissen. En er zijn meldingen van diverse muizen en hagedissen, die werden gegeten. Jonge ringslangen eten ook ongewervelden zoals slakken en insecten (Zuiderwijk, 1991).

Overwinteringsplaats

Allerlei holen en gaten, steen- en houthopen, broeihopen en oude gebouwen kunnen als overwinteringsplaats gebruikt worden. Belangrijk is dat deze plaatsen drooggelegen zijn. In natte gebieden kan een wal, dijk of het talud van een hoger gelegen weg of spoorlijn al voldoende zijn.


  

 Meer informatie

Het boek Praktisch natuurbeheer reptielen en amfibieen geeft ook informatie over het hoe en waar aanleggen van broeihopen voor ringslangen.  

Document van Landschapsbeheer over ringslangen en het aanleggen van broeihopen.

Document van Jos Spier --> aanleg broeihopen voor ringslangen.

Meer lezen over Ringslangen

Melchers, M., H. Koningen & R. Daalder. 1999. De ringslangen van de Grote en Kleine Poel bij Amstelveen. Natura, 1999-2, 44-48.

Zuiderwijk, A., 1991. Ringslangen en hun leefgebieden in Nederland. WARN-publikatie nr. 7.

Zuiderwijk, A., H. Van den Bogert, H. & G. Smit, 1991. Broeihopen voor ringslangen. De Levende Natuur 92(6): 223-227.

Zuiderwijk, A., G. Smit & H. Van den Bogert, 1993.Die Anlage künstlicher Eiablageplätze: Eine einfache Möglichkeit zum Schutz der Ringelnatter (Natrix natrix L. 1758). Mertensiella 3: 227-234.

Zuiderwijk, A., G. Smit & R. Creemers, 1998. Ontwikkelingen in ringslang-populaties. RAVON 1(2): 17-20.
 


  

© PlumIT