Zoek
vrijdag 30 juli 2010  RAVON » Veel gestelde vragen » Broeihopen Registreren  Inloggen

 Broeihopen voor ringslangen

broeihoop_richard.jpgBroeiplaatsen voor de eieren

Over natuurlijke eiafzetplekken van de ringslang is weinig bekend. In natuurlijke riviersystemen zullen dit waarschijnlijk hopen bij elkaar gespoeld organisch materiaal zijn en wellicht ook bevreburchten. In venen zijn wellicht drooggevallen horsten van bijvoorbeeld zeggen of russen geschikt. Ingerotte boomstobben en dichte lagen organisch materiaal met broei kunnen ook gebruikt worden.

Mest- en composthopen worden in ons land veelvuldig gebruikt om eieren in te leggen. De ringslang profiteert van een hoge dichtheid aan eiafzetplekken. Speciaal voor de soort kunnen dan ook broeihopen worden aangelegd (Zuiderwijk et al., 1991; Zuiderwijk et al., 1993).

Aanleg van broeihopen

Broeihopen zijn van groot belang voor de voortplanting van ringslangen. Deze hopen dienen aan een aantal voorwaarden te voldoen. Van groot belang is dat het materiaal voldoende los is, zodat een ringslangvrouwtje er gemakkelijk in kan kruipen. De eitjes worden meestal op een diepte tussen 20 en 60 cm diep afgezet. De temperatuur in de hoop dient constant rond de 25 tot 30°C te zijn en de hoop moet voldoende vochtig zijn. Mest, compost en bladeren vormen een geschikt substraat.

eieren_nn_annemarie.jpgNa 1 tot 2 jaar is een broeihoop "uitgewerkt". Er dient dus regelmatig een nieuwe aangelegd te worden. Aangezien ringslangen geschikte eiafzetplaatsen gedurende lange tijd blijven bezoeken, dienen goede broeihopen op dezelfde plaats gehandhaafd te blijven. Werkzaamheden aan broeihopen dienen tussen midden april en eind mei uitgevoerd te worden of in oktober. Op die manier worden legsels en overwinterende dieren niet beschadigd of gestoord.

Grote hopen (>15 m2) worden vaker gebruikt dan kleine. Een goede standaard-broeihoop is 1,5 meter breed, 3 meter lang en 1,2 meter hoog (minimummaten: 1,6 meter bij 1,2 meter en 1 meter hoog). Met name bladhopen waarin takken zijn verwerkt worden vaak gebruikt en ook een mengsel van compost en mest blijkt goed te voldoen. De takken dienen voornamelijk in het midden van de broeihoop verwerkt te worden (Zuiderwijk et al, 1993). Pure mesthopen scoren wezenlijk slechter, composthopen weer wat beter.

In natuurgebieden dient geen materiaal voor een broeihoop van buiten het gebied worden gehaald. In voedselarme gebieden zoals heide en veen dient niet met mest of compost gewerkt te worden. In ieder type leefgebied moet met gebiedseigen materiaal (afgevallen blad, maaisel van gras, riet of waterplanten, rot hout etc.) gewerkt te worden. Als lokatie dient een plaats in ringslangleefgebied gekozen te worden, op overbrugbare afstand van een reeds gebruikte eiafzetplaats. Beschutting in de omgeving is van belang. Geschikte lokaties zijn bosranden, langs houtwallen en heggen of langs dichte ruigtevegetaties. Broeihopen dienen zonnig gelegen te zijn en moeten op ruime afstand van wegen worden aangelegd (Zuiderwijk et al., 1993).

Foerageerbiotoop

De soort is vooral bij het water jagend aan te treffen. Het gaat daarbij vaak om grotere wateren met een rijke oever- en onderwatervegetatiestructuur.

Voedsel

ringslang_arnold.jpgHet voedsel bestaat voornamelijk uit amfibieën. Daarnaast worden ook vissen gegeten en zijn er meldingen van diverse muizen en ook hagedissen die werden gegeten. Jonge ringslangen eten ook ongewervelden zoals slakken en insecten (Zuiderwijk, 1991).

Overwinteringsplaats

Allerlei holen en gaten, steen- en houthopen, broeihopen en oude gebouwen kunnen als overwinteringsplaats gebruikt worden. Belangrijk is dat deze plaatsen drooggelegen zijn. In natte gebieden kan een wal, dijk of het talud van een hoger gelegen weg of spoorlijn al voldoende zijn.

broeihoop_richard.jpgBroeiplaatsen voor de eieren

Over natuurlijke eiafzetplekken van de ringslang is weinig bekend. In natuurlijke riviersystemen zullen dit waarschijnlijk hopen bij elkaar gespoeld organisch materiaal zijn en wellicht ook bevreburchten. In venen zijn wellicht drooggevallen horsten van bijvoorbeeld zeggen of russen geschikt. Ingerotte boomstobben en dichte lagen organisch materiaal met broei kunnen ook gebruikt worden.

Mest- en composthopen worden in ons land veelvuldig gebruikt om eieren in te leggen. De ringslang profiteert van een hoge dichtheid aan eiafzetplekken. Speciaal voor de soort kunnen dan ook broeihopen worden aangelegd (Zuiderwijk et al., 1991; Zuiderwijk et al., 1993).

Aanleg van broeihopen

Broeihopen zijn van groot belang voor de voortplanting van ringslangen. Deze hopen dienen aan een aantal voorwaarden te voldoen. Van groot belang is dat het materiaal voldoende los is, zodat een ringslangvrouwtje er gemakkelijk in kan kruipen. De eitjes worden meestal op een diepte tussen 20 en 60 cm diep afgezet. De temperatuur in de hoop dient constant rond de 25 tot 30°C te zijn en de hoop moet voldoende vochtig zijn. Mest, compost en bladeren vormen een geschikt substraat.

eieren_nn_annemarie.jpgNa 1 tot 2 jaar is een broeihoop "uitgewerkt". Er dient dus regelmatig een nieuwe aangelegd te worden. Aangezien ringslangen geschikte eiafzetplaatsen gedurende lange tijd blijven bezoeken, dienen goede broeihopen op dezelfde plaats gehandhaafd te blijven. Werkzaamheden aan broeihopen dienen tussen midden april en eind mei uitgevoerd te worden of in oktober. Op die manier worden legsels en overwinterende dieren niet beschadigd of gestoord.

Grote hopen (>15 m2) worden vaker gebruikt dan kleine. Een goede standaard-broeihoop is 1,5 meter breed, 3 meter lang en 1,2 meter hoog (minimummaten: 1,6 meter bij 1,2 meter en 1 meter hoog). Met name bladhopen waarin takken zijn verwerkt worden vaak gebruikt en ook een mengsel van compost en mest blijkt goed te voldoen. De takken dienen voornamelijk in het midden van de broeihoop verwerkt te worden (Zuiderwijk et al, 1993). Pure mesthopen scoren wezenlijk slechter, composthopen weer wat beter.

In natuurgebieden dient geen materiaal voor een broeihoop van buiten het gebied worden gehaald. In voedselarme gebieden zoals heide en veen dient niet met mest of compost gewerkt te worden. In ieder type leefgebied moet met gebiedseigen materiaal (afgevallen blad, maaisel van gras, riet of waterplanten, rot hout etc.) gewerkt te worden. Als lokatie dient een plaats in ringslangleefgebied gekozen te worden, op overbrugbare afstand van een reeds gebruikte eiafzetplaats. Beschutting in de omgeving is van belang. Geschikte lokaties zijn bosranden, langs houtwallen en heggen of langs dichte ruigtevegetaties. Broeihopen dienen zonnig gelegen te zijn en moeten op ruime afstand van wegen worden aangelegd (Zuiderwijk et al., 1993).

Foerageerbiotoop

De soort is vooral bij het water jagend aan te treffen. Het gaat daarbij vaak om grotere wateren met een rijke oever- en onderwatervegetatiestructuur.

Voedsel

ringslang_arnold.jpgHet voedsel bestaat voornamelijk uit amfibieën. Daarnaast worden ook vissen gegeten en zijn er meldingen van diverse muizen en ook hagedissen die werden gegeten. Jonge ringslangen eten ook ongewervelden zoals slakken en insecten (Zuiderwijk, 1991).

Overwinteringsplaats

Allerlei holen en gaten, steen- en houthopen, broeihopen en oude gebouwen kunnen als overwinteringsplaats gebruikt worden. Belangrijk is dat deze plaatsen drooggelegen zijn. In natte gebieden kan een wal, dijk of het talud van een hoger gelegen weg of spoorlijn al voldoende zijn.


 Afdrukken   

 Meer informatie

Het boek Praktisch natuurbeheer reptielen en amfibieen geeft ook informatie over het hoe en waar aanleggen van broeihopen voor ringslangen.  Klik hier om het boek te bekijken in de winkel.

Meer lezen over Ringslangen

Melchers, M., H. Koningen & R. Daalder. 1999. De ringslangen van de Grote en Kleine Poel bij Amstelveen. Natura, 1999-2, 44-48.

Zuiderwijk, A., 1991. Ringslangen en hun leefgebieden in Nederland. WARN-publikatie nr. 7.

Zuiderwijk, A., H. Van den Bogert, H. & G. Smit, 1991. Broeihopen voor ringslangen. De Levende Natuur 92(6): 223-227.

Zuiderwijk, A., G. Smit & H. Van den Bogert, 1993.Die Anlage künstlicher Eiablageplätze: Eine einfache Möglichkeit zum Schutz der Ringelnatter (Natrix natrix L. 1758). Mertensiella 3: 227-234.

Zuiderwijk, A., G. Smit & R. Creemers, 1998. Ontwikkelingen in ringslang-populaties. RAVON 1(2): 17-20.
 

Het boek Praktisch natuurbeheer reptielen en amfibieen geeft ook informatie over het hoe en waar aanleggen van broeihopen voor ringslangen.  Klik hier om het boek te bekijken in de winkel.

Meer lezen over Ringslangen

Melchers, M., H. Koningen & R. Daalder. 1999. De ringslangen van de Grote en Kleine Poel bij Amstelveen. Natura, 1999-2, 44-48.

Zuiderwijk, A., 1991. Ringslangen en hun leefgebieden in Nederland. WARN-publikatie nr. 7.

Zuiderwijk, A., H. Van den Bogert, H. & G. Smit, 1991. Broeihopen voor ringslangen. De Levende Natuur 92(6): 223-227.

Zuiderwijk, A., G. Smit & H. Van den Bogert, 1993.Die Anlage künstlicher Eiablageplätze: Eine einfache Möglichkeit zum Schutz der Ringelnatter (Natrix natrix L. 1758). Mertensiella 3: 227-234.

Zuiderwijk, A., G. Smit & R. Creemers, 1998. Ontwikkelingen in ringslang-populaties. RAVON 1(2): 17-20.
 


 Afdrukken   

Copyright 2008 RAVON