De habitat van de vuursalamander wordt in grote lijnen gekarakteriseerd als loofbos, doorsneden met bronbeekjes en vaak gesitueerd in heuvelachtige gebieden (Nöllert & Nöllert 1992, Griffiths 1996, Thiesmeier & Günther 1996). Ook in Nederland geldt deze habitattypering.
Larven worden over het algemeen afgezet in bronbeekjes: heldere, koele, stromende en zuurstofrijke wateren. De afzetlocaties betreffen vooral plekken in de beek met relatief langzaam stromend water, bijvoorbeeld in binnenbochten, in stroomkommetjes, in éénzijdig aangetakte oude beekmeanders, in door stenen, takken of bladeren veroorzaakte opstuwingen. De waterdiepte bedraagt doorgaans meer dan twee centimeter. Ook bronputten en door grondwater gevoede bossloten en bospoelen worden benut om larven in af te zetten.
De vuursalamander leeft op het land overwegend in het bos of aan de bosrand. Met uitzondering van de perioden waarin de larven worden afgezet en vrouwelijke dieren naar de beken toetrekken én de periode dat juveniele salamanders vanuit het water het land optrekken, leeft de vuursalamander meestal niet in de onmiddellijke nabijheid van beken. Een groot deel van de populatie houdt zich op in de relatief drogere delen van het leefgebied (Thiesmeier 1992, Thiesmeier & Günther 1996). De schuilplaatsen waarin de dieren zich overdag ophouden, zijn veelal gelegen in het hellingbos, op bosplateaus, in de drogere delen van het bronbos, etc.