De Zuid-Hollandse delta is een belangrijk gebied voor vissen. Rivierwater, getijdeninvloed, zoet en zout water, ondiepe oevers, platen, geulen en beschutte zones komen hier bij elkaar. Juist die afwisseling maakt het gebied interessant als opgroeigebied voor jonge vis.
Met Een Zegen in de Delta onderzoekt RAVON welke jonge vissen gebruikmaken van de ondiepe oeverzones rond onder meer het Haringvliet. Welke soorten groeien hier op? Welke plekken zijn belangrijk? En verandert de visgemeenschap nu de Haringvlietsluizen op een kier staan?
Jonge vissen vertellen veel over de kwaliteit van een gebied. Waar jonge vis aanwezig is, is vaak voedsel, beschutting en geschikt ondiep water te vinden. Voor sommige soorten zegt de aanwezigheid van jonge vissen ook iets over voortplanting, migratie en het gebruik van de delta als kraamkamer.
Door jonge vis te onderzoeken, krijgt RAVON zicht op de functie van oevers, geulen en ondiepe zones. Dat is waardevolle kennis voor beheer, inrichting en herstel van de delta.
Het onderzoek gebeurt met een broedzegen: een fijnmazig net waarmee ondiepe oeverzones worden bemonsterd. In teamverband wordt het net door het water getrokken. De gevangen vissen worden op naam gebracht, geteld en daarna weer teruggezet.
Deze methode geeft een goed beeld van de jonge vissen die op dat moment in de oeverzone aanwezig zijn. Het gaat vaak om kleine vissen die je vanaf de kant niet ziet, maar die een belangrijke plek innemen in het ecosysteem.
Sinds de Haringvlietsluizen op een kier staan, kan er weer beperkt zout water het Haringvliet instromen. Daardoor verandert de overgang tussen rivier en zee. Voor vissen is dat belangrijk, zeker voor soorten die tussen zoet en zout water migreren.
Een van de vragen binnen het project is of die verandering terug te zien is in de jonge visgemeenschap. Verschijnen er andere soorten? Verandert de verhouding tussen zoetwatervissen, brakwatersoorten en zeevissen? En welke delen van de delta worden door jonge vissen gebruikt?
Met herhaalde bemonsteringen bouwt RAVON aan een reeks gegevens waarmee zulke ontwikkelingen beter gevolgd kunnen worden.
Ondiepe oeverzones zijn vaak warmer, voedselrijker en beschutter dan dieper open water. Voor jonge vis kan dat het verschil maken. Ze vinden er kleine prooien, kunnen schuilen voor grotere roofvissen en hebben minder last van sterke stroming of golfslag.
Niet elke oever is even geschikt. Een flauwe, natuurlijke oever met variatie in diepte en structuur biedt andere kansen dan een steile, harde oever. Ook waterstand, stroming, doorzicht, bodem en vegetatie spelen een rol.
Door op verschillende plekken te bemonsteren, wordt duidelijk welke oevers en gebieden van betekenis zijn als kraamkamer.
Een groot deel van het werk wordt uitgevoerd met vrijwilligers. Dat past bij RAVON: kennis verzamelen in het veld, samen met mensen die soorten leren herkennen en gebieden goed kennen.
Het werk vraagt enige conditie, een waadpak en belangstelling voor vissen. Onder begeleiding leren deelnemers hoe je met een broedzegen werkt, hoe jonge vissen worden herkend en hoe gegevens zorgvuldig worden vastgelegd.
Zo levert het project niet alleen gegevens op, maar ook meer kennis en betrokkenheid bij de vissen van de delta.
De gegevens uit Een Zegen in de Delta helpen om beter te begrijpen welke delen van het gebied belangrijk zijn voor jonge vis. Die kennis kan worden gebruikt bij vragen over oeverinrichting, natuurontwikkeling, kierbeheer, vismigratie en herstel van leefgebieden.
Voor beheerders is vooral van belang welke plekken nu al goed functioneren, waar kansen liggen en welke omstandigheden jonge vissen nodig hebben.
Onderaan deze pagina staat een videoserie over het project. Daarin is te zien hoe het vissen met de zegen werkt, welke soorten worden gevonden en wat de gegevens vertellen over de kraamkamers van de Zuid-Hollandse delta.
RAVON onderzoekt de verspreiding, voortplanting en leefgebieden van zoetwatervissen en andere vissoorten in overgangsgebieden. Met Een Zegen in de Delta volgen we hoe jonge vissen gebruikmaken van een veranderend deltagebied.
Die kennis gebruiken we voor advies over inrichting, beheer en herstel van wateren waar vissen kunnen paaien, opgroeien, schuilen en migreren.