Het aantal Europese alen (paling) is in de afgelopen decennia met circa 90 procent gedaald. Binnen het Nederlandse Aalbeheerplan wordt jaarlijks glasaal (jonge paling) uitgezet, die in Frankrijk wordt gevangen. De vraag is in hoeverre deze maatregel daadwerkelijk bijdraagt aan het doel: herstel van de soort. Waarom wordt glasaal uitgezet, hoe gebeurt dit en wat zegt de wetenschap erover?
Glasaal wordt van oudsher gevangen in gebieden waar hogere dichtheden voorkomen, en vervolgens uitgezet in gebieden waar natuurlijke intrek beperkt is, bijvoorbeeld door menselijke barrières als gemalen, sluizen en waterkrachtcentrales. Op die manier kan in deze gebieden toch visserij plaatsvinden. Deze praktijk is overgenomen in het Europese Aalherstelplan, vanuit de veronderstelling dat er in sommige gebieden een overschot aan glasaal zou zijn, en dat verplaatsing kan bijdragen aan de populatie.
Glasaal bij migratieknelpunt (Bron: Arthur de Bruin)
Waarom wordt glasaal verplaatst binnen Europa?
Er is echter geen wetenschappelijk bewijs dat er daadwerkelijk sprake is van een overschot aan glasaal in bepaalde estuaria, of dat verplaatste glasalen elders een grotere bijdrage leveren aan de populatie. Een belangrijk argument om glasaalvangst voort te zetten, is dat deze dient als grondstof voor palingkwekerijen, een sector waarin internationaal veel geld omgaat. Deze sector kan niet bestaan zonder uitzet van glasaal. Binnen het Europese Aalherstelplan is namelijk vastgelegd dat minimaal 60 procent van de glasaalvangst bestemd moet zijn voor uitzet.
Sinds de Brexit is Frankrijk de belangrijkste leverancier van glasaal, met een jaarlijks vangstquotum van ruim 50 ton. Hiervan moet meer dan 30 ton worden uitgezet. Nederland koopt jaarlijks ongeveer 1.000 kilogram glasaal voor uitzettingen. Daarnaast wordt ook zogenoemde ‘pootaal’ uitgezet: dat is iets grotere aal, die in een palingkwekerij is opgekweekt.
Werkwijze van glasaaluitzet in Nederland en wetenschappelijke bezwaren
De uitzet van glasaal en pootaal in Nederland wordt gefinancierd door het ministerie van LVVN, grotendeels met Europese middelen. Daarnaast zet de visserijsector zelf aal uit. De uitzet vindt momenteel vrijwel uitsluitend plaats in gebieden waar beroepsvisserij plaatsvindt. Dit roept vragen op over de effectiviteit, aangezien in deze gebieden sprake is van relatief hoge visserijdruk. Hierdoor overleeft maar een beperkt deel van de uitgezette aal om het stadium van schieraal te bereiken. Schieraal is geslachtsrijpe aal die kan bijdragen aan voortplanting. Jaarlijks wordt in Nederland ongeveer 500 ton paling gevangen, terwijl 1.000 kilogram glasaal, onder gunstige omstandigheden, naar schatting maximaal ongeveer 200 ton schieraal kan opleveren.
Ook los van visserijdruk bestaan er onzekerheden over de effectiviteit van uitzet. Het is bekend dat internationale verplaatsing van glasaal de oriëntatie en migratie kan beïnvloeden. Uitgezette alen kunnen bij hun terugkeer naar zee niet terugvallen op eerder opgedane oriëntatie-informatie. In complexe watersystemen, zoals polders, boezemwateren en kanalen, kan dit het vinden van de uittrekroute bemoeilijken. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat het verplaatsen van glasaal en pootaal risico’s met zich meebrengt, zoals sterfte tijdens transport, de verspreiding van ziekten en parasieten, aanpassingsproblemen en verstoringen in geslachtsverhoudingen. Indien desondanks wordt gekozen voor uitzet, is een zorgvuldige onderbouwing van geschikte locaties van belang. RAVON en Good Fish hebben hiervoor eerder richtlijnen opgesteld. Op basis van de actuele kennis is het echter onwaarschijnlijk dat de huidige praktijk van uitzet in Nederland bijdraagt aan herstel van de aalpopulatie.
Nederland koopt jaarlijks ongeveer 1.000 kilogram glasaal voor uitzettingen (Bron: Arthur de Bruin)
Welk advies geeft de wetenschap?
De International Council for the Exploration of the Sea (ICES) adviseert al geruime tijd om alle visserij op aal, inclusief glasaal, te beëindigen. Ook het uitzetten van glasaal als herstelmaatregel wordt afgeraden, omdat er geen aanwijzingen zijn voor een netto positieve bijdrage en negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten. Zie onder meer het meest recente ICES-advies. Een vergelijkbare conclusie wordt getrokken in een overzicht van wetenschappelijke literatuur door de Universiteit van Stockholm. Hierin wordt gepleit voor het stoppen van zowel visserij als uitzet. Volgens ICES en andere onderzoekers ligt de prioriteit voor herstel bij het verbeteren van migratiemogelijkheden, het verhogen van de kwaliteit van leefgebieden en het beperken van door de mens veroorzaakte sterfte, zoals visserij en schade door gemalen.
Een glasaaltje (Bron: Jelger Herder)
Palingparadijzen
RAVON geeft invulling aan de wetenschappelijke adviezen met de ontwikkeling van zogenoemde ‘palingparadijzen’: gebieden waar aal effectief kan intrekken, opgroeien en veilig kan uittrekken naar zee. Deze integrale benadering richt zich op structurele verbetering van leefgebieden en migratieroutes. Dergelijke maatregelen dragen niet alleen bij aan herstel van de aal, maar ook aan een betere leefomgeving voor andere (vis)soorten. Hoewel dit een logische strategie is, blijkt de realisatie van deze gebieden in Nederland complex. Grote delen van ons watersysteem hebben op dit moment namelijk een te hoge mate van vervuiling om aal gezond op te laten groeien. Daarnaast kennen de schonere gebieden meestal een hoge mate van visserijdruk, of ze zijn slecht bereikbaar door stuwen, gemalen en sluizen. Het vergt dus nog een flinke inzet om in Nederland echt aan duurzaam aalherstel te werken.
Tekst: RAVON
Beeld: Jelger Herder (leadfoto: Europese paling (Anguilla anguilla)); Arthur de Bruin