Natuurbranden komen in Nederland jaarlijks honderden keren voor. In droge jaren kan dat aantal sterk oplopen. Voor kwetsbare soortgroepen zoals reptielen – waaronder hagedissen, slangen en hazelwormen – vormen natuurbranden zowel een directe als langdurige bedreiging.
Het aantal natuurbranden in Nederland schommelt sterk van jaar tot jaar, afhankelijk van weersomstandigheden zoals droogte, temperatuur en wind. Toch is duidelijk dat natuurbranden een terugkerend en serieus risico vormen voor natuurgebieden, waarbij het jaarlijks om honderden branden gaat. In droge jaren kan dat aantal fors oplopen; in 2025 werden bijvoorbeeld meer dan achthonderd natuurbranden geregistreerd. Ook in 2026 was het extreem droog in het voorjaar en de zomer en woedden er al meerdere zeer grote branden zoals in april op verschillende militaire oefenterreinen en begin augustus in een bosgebied ten oosten van Venray.
Voor reptielen zijn natuurbranden extra ingrijpend. Waar grotere zoogdieren en vogels vaak kunnen vluchten, gaat het vuur voor reptielen meestal te snel. Uit eerdere branden blijkt dat de impact aanzienlijk is. In het Fochteloërveen werden na de brand van 2011 dode adders aangetroffen. Bij een brand in De Meinweg in 2020 ging het onder meer om zandhagedissen en levendbarende hagedissen. Na branden op de Veluwe in 2025 werden vooral hazelwormen gevonden, maar ook adders en gladde slangen.
Deze voorbeelden laten zien dat natuurbranden directe sterfte veroorzaken onder beschermde soorten en daarmee een aanzienlijke impact hebben op populaties.
Ondanks de slopende impact van een brand weet een deel van de reptielen een brand te overleven. Bij oppervlakkige branden maken dieren die zich verschuilen in holletjes een kans. Bij een brand op de Edese Hei werden bijvoorbeeld de dagen na de brand zandhagedissen en veldmuizen gezien die de brand hadden overleefd. Maar ook als een deel van de populatie overleeft, heeft een brand impact op de dieren in het gebied. Vegetatie, en dus beschutting, schuilplaatsen en uiteindelijk prooidieren, is verdwenen. De schutkleur van reptielen is op een zwartgeblakerde ondergrond niets meer waard en de dieren worden een makkelijke prooi voor roofvogels, terwijl ze wanhopig op zoek zijn naar dekking en voedsel.
De indirecte schade is door de sterke afhankelijkheid van structuur in het landschap, zoals heide, ruigte, open zandige plekken, dood hout en beschutting. Wanneer een gebied brandt, verdwijnen die belangrijke elementen in korte tijd. Daardoor treft een natuurbrand niet alleen dieren die direct in het vuur omkomen, maar ook de dieren die de brand overleven en hun leefgebied verliezen.
Het habitat is na een brand voor langere tijd ongeschikt. Herstel duurt vaak jaren en tot die tijd zullen de dieren die het overleefd hebben zich terug moeten trekken naar andere delen van het gebied en het verbrande deel van daaruit herkoloniseren als het weer geschikt is.
In de periode na een brand trekken overlevende dieren naar omliggende gebieden en zal het verbrande gebied alleen langzaam en vaak onvolledig worden geherkoloniseerd. Populaties kunnen daardoor langdurig onder druk staan.
Het is inmiddels duidelijk dat door klimaatverandering het gemiddeld steeds warmer wordt en weersextremen, zoals hittegolven en droge periodes, toenemen in frequentie en hevigheid. Een drogere bodem en droge vegetatie leiden sneller tot brand. Branden met de schaal en intensiteit die we gezien hebben in bijvoorbeeld Zuid-Europa en Noord-Amerika komen in Nederland nog niet voor, maar het is waarschijnlijk dat natuurbranden steeds vaker voor gaan komen, toenemen in intensiteit en moeilijker beheersbaar worden. Dit heeft niet alleen effect op natuur, maar ook op infrastructuur en bewoond gebied.
Goed beheer na een brand is belangrijk. Op sterk vergraste heide brandt het vaak dominante pijpenstrootje af. Dit biedt ruimte voor andere soorten, mits het gras in toom gehouden kan worden. Dit kan met begrazing of gefaseerd maaibeheer. In de toekomst zullen we voorbereid moeten zijn op meer en hevigere branden. Zowel de brandweer als burgers en natuurbeheerders moeten daar rekening mee houden. De toenemende temperatuur en toename van droge periodes zijn op zichzelf lastig aan te pakken, maar we kunnen wel proberen meer water vast te houden in natte periodes waardoor verdroging minder kans krijgt.
Voor reptielen en andere soorten is het van groot belang dat natuurgebieden robuust en goed met elkaar verbonden zijn. Versnippering beperkt de mogelijkheden voor dieren om bij verstoring, zoals een brand, uit te wijken naar andere geschikte leefgebieden. Door natuurgebieden beter te verbinden, nemen de overlevingskansen van soorten toe en wordt het herstel na een brand versterkt.
Soms wordt gedacht dat natuurbranden een positief effect hebben op natuur, bijvoorbeeld doordat ze verjonging van vegetatie stimuleren. In de huidige situatie in Nederland gaat die redenering echter vaak niet op. Door de hoge stikstofdepositie herstelt heide zich na een brand steeds minder goed; in plaats daarvan nemen snelgroeiende grassen zoals pijpenstrootje het over. Deze vergrassing maakt gebieden juist opnieuw gevoeliger voor toekomstige branden. Bovendien worden branden die als beheermaatregel worden ingezet normaal gesproken kleinschalig, gefaseerd en onder gecontroleerde omstandigheden uitgevoerd. De grootschalige, ongecontroleerde natuurbranden waar we nu mee te maken hebben, veroorzaken vooral schade: belangrijke structuren verdwijnen, en veel soorten – waaronder reptielen – verliezen leefgebied dat zich maar langzaam herstelt.
Veel natuurbranden ontstaan door menselijk handelen. Preventie blijft daarom essentieel.
Auto’s in droog gras vormen een relatief onbekend risico omdat de onderkant van een auto, en met name de katalysator en uitlaat, zeer heet kan worden tijdens het rijden. Wanneer een warme auto boven droog gras wordt geparkeerd, kan dit gras door de hitte ontbranden.
Bel bij natuurbranden in droge periodes altijd direct 112! Houd extra rekening met de natuur tijdens droge periodes.