De dwergbot is een kleine, langwerpige platvis die voorkomt op stenige bodems op een diepte van 20 tot 170 meter.
Kleine langwerpige platvis met ogen op de linkerzijde. Tot 12 cm. Linkerkant bruin met gele, oranje of roodbruine, vaak kommavormige vlekken. Rechterzijde wit met een zichtbare zijlijn. In rotsachtige gebieden passen de dieren zich goed aan aan een rotsachtige ondergrond begroeid met roodalgen. Het oppervlak van de vis kan ook begroeid raken met andere organismen. Oppervlak bedekt met grove schubben waarvan de randen getand zijn. De rugvin begint iets voor het rechteroog. De buik- en anaalvin lijken door te lopen, maar zijn niet vergroeid.
De paaitijd valt tussen april en juli. De eieren leven ongeveer een week vrij zwevend. De vislarven brengen eveneens eerst een periode zwevend in het water door, waarna ze bij een lengte van circa 10-13 mm tot kleine platvis transformeren en dan naar de bodem afzakken.
De dwergbot leeft op stenige bodems op een diepte van 20-170 meter. Gewoonlijk alleen onder puur mariene omstandigheden. Voornamelijk aanwezig op stenige bodems. De dieren kunnen zich met hun vinnen stevig aan hard substraat hechten en zo ook op de verticale zijden van rotsen en stenen voorkomen. Het voedsel bestaat vooral uit kreeftachtigen en wormen.
Noordoost-Atlantische Oceaan, vanaf het arctisch gebied (Moermansk), zuidwaarts via Noorwegen en IJsland, de Britse eilanden, de Noordzee (nu en dan in Skagerrak en Kattegat), tot aan de Golf van Biskaje. Langs de Nederlandse kust zeldzaam.
Geen bekende populatie aanwezig in Nederlandse wateren. Deze soort is niet opgenomen in de Nederlandse rode lijst.