Verbindingszones

Leefgebieden met elkaar in contact brengen

RAVON adviseert over verbindingszones die leefgebieden van amfibieën, reptielen en vissen weer met elkaar verbinden.

Veel soorten leven niet in één aaneengesloten gebied, maar in losse leefgebieden die samen een netwerk vormen. Voor reptielen, amfibieën en vissen is de verbinding tussen die plekken vaak net zo belangrijk als de kwaliteit van de plekken zelf.

Wanneer leefgebieden door wegen, bebouwing, intensief beheer of waterbouwkundige werken van elkaar gescheiden raken, kunnen populaties geïsoleerd raken. Dieren bereiken dan geen nieuwe voortplantingsplekken, overwinteringsplekken of voedselgebieden meer. Ook uitwisseling tussen deelpopulaties stopt. Vooral kleine populaties worden daardoor kwetsbaar.

Verbindingszones zorgen ervoor dat dieren zich weer door het landschap kunnen verplaatsen.

Waarom verbinden nodig is

Een populatie kan lokaal verdwijnen door droogte, verkeerd beheer, verstoring, ziekte, predatie of een aantal slechte voortplantingsjaren. Als er in de omgeving andere populaties aanwezig zijn en dieren zich kunnen verplaatsen, kan zo’n plek later opnieuw worden bezet.

Dat is het principe van een metapopulatie: meerdere deelpopulaties die via uitwisseling met elkaar verbonden zijn. Grote kernpopulaties vormen daarbij de basis. Kleinere tussenliggende leefgebieden en verbindingszones maken verplaatsing mogelijk.

Zonder verbindingen blijven deelpopulaties op zichzelf staan. Dan neemt de kans toe dat een soort uit een gebied verdwijnt.

Verbindingszones voor reptielen

Voor reptielen moet een verbindingszone meer zijn dan een groenstrook. Reptielen verplaatsen zich langzaam en gebruiken hun omgeving heel precies. Ze hebben zonplekken nodig om op temperatuur te komen, maar ook dekking om te schuilen. Daarnaast moeten er voldoende plekken zijn om voedsel te vinden en, waar nodig, te overwinteren.

Voor soorten als muurhagedis, zandhagedis, levendbarende hagedis, hazelworm en ringslang kunnen geschikte verbindingszones bestaan uit een afwisseling van open, zonnige plekken, ruigte, struweelranden, houtstapels, takkenrillen, stenige structuren en rustige bermen.

De verbinding hoeft niet overal optimaal leefgebied te zijn. Het is al waardevol wanneer dieren zich er veilig doorheen kunnen bewegen en onderweg voldoende dekking en geschikte plekken vinden.

Verbindingszones voor amfibieën

Amfibieën gebruiken vaak verschillende delen van het landschap. Ze trekken tussen voortplantingswateren, zomerhabitat en overwinteringsplekken. Wegen, steile oevers, straatkolken, beschoeiingen en droge, open terreinen kunnen daarbij een probleem vormen.

Voor amfibieën zijn vooral vochtige, beschutte routes belangrijk. Denk aan houtwallen, ruige bermen, struweel, bosranden, greppels, natuurvriendelijke oevers en kleinschalige landschapselementen. Ook poelen op korte afstand van elkaar kunnen samen een netwerk vormen, zeker wanneer het landhabitat ertussen geschikt is.

Voor soorten als kamsalamander, boomkikker, rugstreeppad en vroedmeesterpad verschilt de gewenste inrichting sterk. Daarom vraagt elke verbindingszone om soortgericht maatwerk.

Verbindingszones voor vissen

Ook in water zijn verbindingen onmisbaar. Vissen gebruiken verschillende plekken om te paaien, op te groeien, te schuilen en te overwinteren. Stuwen, gemalen, duikers, beschoeiingen en onnatuurlijke oevers kunnen die routes blokkeren.

Voor vissen kan herstel van verbindingen bestaan uit vispassages, passeerbare duikers, herstel van beekstructuur, betere aansluiting van nevengeulen, natuurvriendelijke oevers of het verwijderen van barrières. Belangrijk is dat niet alleen de passage zelf werkt, maar ook het leefgebied ervoor en erna.

Een vis moet niet alleen langs een obstakel kunnen, maar ook daadwerkelijk geschikt habitat bereiken.

Barrières in beeld brengen

Voordat maatregelen worden gekozen, moet duidelijk zijn waar de knelpunten liggen. Soms is een drukke weg de grootste barrière. Soms is het juist een verkeerd beheerde berm, een droge sloot, een te steile oever of een stuk terrein zonder dekking.

RAVON kijkt daarom naar het hele traject tussen leefgebieden. Waar bevinden zich kernpopulaties? Welke routes zijn nog bruikbaar? Waar vallen dieren uit? Waar zijn kleine aanpassingen mogelijk en waar is een robuuste faunapassage nodig?

Die analyse voorkomt dat maatregelen los van elkaar worden uitgevoerd.

Inrichting en beheer

Een verbindingszone werkt alleen als inrichting en beheer op elkaar aansluiten. Een goed aangelegde zone kan snel ongeschikt worden als hij dichtgroeit, te intensief wordt gemaaid of juist te netjes wordt afgewerkt.

Voor reptielen kan te veel beschaduwing funest zijn. Voor amfibieën kan te weinig dekking of vocht een probleem zijn. Voor vissen kunnen onderhoud, baggerwerk of veranderende waterstanden bepalen of een verbinding blijft functioneren.

Daarom hoort beheer vanaf het begin bij het ontwerp. Vaak gaat het om gefaseerd maaien, delen laten overstaan, opslag gericht verwijderen, poelen of oevers periodiek onderhouden en verstoring beperken.

Voorbeeld: muurhagedis in Maastricht

In Maastricht komt de enige oorspronkelijke populatie muurhagedissen van Nederland voor. De soort leeft daar onder andere op oude vestingwerken, spoorterreinen en stenige randen. Door stedelijke ontwikkelingen en infrastructuur kunnen leefgebieden versnipperd raken.

In het rapport Reptielen in Maastricht voor de toekomst behouden is uitgewerkt hoe kernleefgebieden, nieuwe leefgebieden en verbindingszones samen een sterker netwerk kunnen vormen. Voor de muurhagedis gaat het daarbij onder meer om zonnige, stenige structuren, schrale vegetatie, veilige passages en goed beheer. Ook hazelworm en levendbarende hagedis profiteren van een samenhangende aanpak.

Dit voorbeeld laat zien dat verbindingszones niet als losse maatregel moeten worden gezien, maar als onderdeel van een groter leefgebiedennetwerk.

Advies van RAVON

RAVON adviseert over de aanleg, verbetering en beoordeling van verbindingszones voor amfibieën, reptielen en vissen. We brengen leefgebieden, barrières en kansen in beeld en werken maatregelen uit die passen bij de soorten en het gebied.

Dat kan gaan om een smalle verbinding tussen twee poelen, een faunapassage onder een weg, een netwerk van stenige structuren voor hagedissen of een beektraject waarin vissen weer kunnen migreren.

Het doel is steeds hetzelfde: zorgen dat leefgebieden niet als losse eilanden blijven liggen, maar weer onderdeel worden van een werkend landschap.

Gerelateerde informatie

RAVON werkt in Maastricht aan behoud van de muurhagedis met kernleefgebieden, verbindingszones en reptielvriendelijk beheer.

Het rapport

Rapport over duurzame metapopulaties van muurhagedis, hazelworm en levendbarende hagedis in het Maastrichtse Belvédèregebied.

Meer over de gerelateerde soorten