In Maastricht leeft de enige oorspronkelijke populatie muurhagedissen van Nederland. De soort komt hier voor op plekken die sterk met de stad verbonden zijn: oude vestingmuren, spoorlijnen, stenige randen, bedrijventerreinen en kademuren. Juist die combinatie van warmte, steen, open vegetatie en beschutting maakt Maastricht bijzonder.
RAVON onderzocht hoe de muurhagedis in Maastricht-Noord behouden kan blijven, ondanks de grote ruimtelijke veranderingen in het gebied Belvédère. Het uitgangspunt is niet alleen beschermen wat er nog is, maar werken aan een netwerk van leefgebieden dat de soort op lange termijn kan dragen.
De muurhagedis is een warmteminnende soort. In Maastricht gebruikt hij vooral zonnige, stenige plekken met voldoende spleten en holtes. Daar kan hij zonnen, schuilen en overwinteren. Aan de voet van muren en stenige structuren moet voldoende schrale, open vegetatie aanwezig zijn om voedsel te vinden en eieren af te zetten.
Belangrijke leefgebieden liggen in de Hoge Fronten en Lage Fronten, op het emplacement Boschpoort en langs de spoorlijn Maastricht-Lanaken. Daarnaast zijn muurhagedissen gevonden op delen van het bedrijventerrein Bosscherveld, bij kades van de Zuid-Willemsvaart en op de Maasoever.
Dat laat zien dat de soort in de stad kan overleven, maar alleen wanneer de juiste combinatie van steen, zon, rust en beheer aanwezig blijft.
In Maastricht-Noord spelen grote stedelijke en infrastructurele ontwikkelingen, zoals de verplaatsing van de Noorderbrug, herinrichting van het Bosscherveld, uitbreiding van het Frontenpark en plannen rond spoor en infrastructuur. Zulke ontwikkelingen kunnen leefgebied aantasten, verstoren of versnipperen.
Tegelijk bieden ze kansen. Bij herinrichting kunnen nieuwe stenige structuren, schrale bermen, groene randen en faunapassages worden aangelegd. Sloopmateriaal uit het gebied kan worden hergebruikt in stapelmuren, steenkorven, steenbedden en andere structuren voor reptielen.
De kern van de aanpak is daarom: ruimtelijke ontwikkeling zorgvuldig combineren met soortbescherming.
De muurhagedis moet in Maastricht niet afhankelijk blijven van enkele losse plekken. Kleine, geïsoleerde populaties zijn kwetsbaar. Een strenge winter, verkeerd beheer, verstoring of het dichtgroeien van een muur kan dan al grote gevolgen hebben.
RAVON werkt daarom met het idee van een metapopulatie: meerdere deelpopulaties die via verbindingszones met elkaar in contact staan. Grote kernpopulaties vormen de basis. Kleinere satellietpopulaties en verbindingszones zorgen voor uitwisseling tussen die kerngebieden.
Voor Maastricht gaat het onder meer om kernleefgebieden in de Hoge Fronten, Lage Fronten en uitbreiding van het Frontenpark, Fort Willem en de Belvédèreberg. Verbindingszones moeten deze gebieden met elkaar in contact brengen.
De Hoge Fronten vormen het belangrijkste leefgebied voor de muurhagedis in Maastricht. Oude muren, schrale vegetatie en zorgvuldig beheer maken het gebied geschikt voor de soort. Ook de Lage Fronten zijn van groot belang, maar daar zijn delen door struweel en opslag minder geschikt geworden.
Voor beide gebieden blijft beheer noodzakelijk. Muren moeten voldoende zon krijgen, vegetatie mag niet te dicht worden en restauratie of consolidatie van vestingmuren moet met ecologische begeleiding gebeuren. Bij verkeerd uitgevoerde werkzaamheden kunnen juist de spleten, voegen en overwinteringsplekken verdwijnen die de muurhagedis nodig heeft.
Nieuwe leefgebieden zijn nodig om de populatie groter en minder kwetsbaar te maken. Het toekomstige Frontenpark biedt daarvoor kansen, omdat het aansluit op bestaande leefgebieden. Bij de inrichting kunnen stenige structuren, schrale vegetaties, houtstapels en rustige zones worden aangelegd.
Ook Fort Willem heeft potentie. De droge gracht, oude muren en zonnige delen kunnen geschikter worden gemaakt door vegetatiebeheer en door meer schuil- en zonplekken in of bij de muren te creëren.
De Belvédèreberg is nu geen leefgebied voor muurhagedis, maar heeft door zijn ligging en zonexpositie goede mogelijkheden. Op zonnige hellingen kunnen steenstructuren en houtstapels worden aangelegd, gecombineerd met schrale, kruidenrijke vegetatie en enige struweelbeschutting.
Nieuwe leefgebieden hebben pas waarde als muurhagedissen ze kunnen bereiken. Daarom zijn verbindingszones nodig tussen de Hoge Fronten, Lage Fronten, Fort Willem, de spoorlijn, het emplacement Boschpoort, de Belvédèreberg en de steilrand.
Sommige verbindingen vragen vooral om aangepast beheer, zoals het openhouden van spoorbermen of kademuren. Andere vragen om robuuste passages onder of over wegen. De Cabergerweg, Fort Willemweg, Noorderbrug en toekomstige wegen vormen barrières die alleen met goed ontworpen faunapassages passeerbaar worden.
Voor reptielen moeten zulke passages open, licht, robuust en goed geleid zijn. Een smalle, donkere buis is voor muurhagedissen geen volwaardige verbinding.
Nieuw leefgebied kan worden gemaakt met verschillende structuren:
Vooral stapelmuren kunnen zeer waardevol zijn, mits ze goed worden aangelegd. Ze moeten zonnig liggen, voldoende diepe spleten hebben, beschut zijn tegen wind en regen en aansluiten op schrale vegetatie.
Niet elke stapel stenen is geschikt. De constructie moet ook schuilen en overwinteren mogelijk maken.
De muurhagedis heeft open, zonnige plekken nodig. Als muren, steenhopen of spoorbermen dichtgroeien met struweel, braam of jonge bomen, verdwijnt het leefgebied. Tegelijk mag beheer niet te hardhandig zijn: kale plekken zonder dekking bieden weinig bescherming.
Reptielvriendelijk beheer is daarom gefaseerd. Niet alles tegelijk maaien, maaisel afvoeren, opslag gericht verwijderen en altijd voldoende dekking laten staan. In Maastricht is de ervaring met beheer van de Hoge en Lage Fronten belangrijk voor andere delen van het gebied.
Het rapport gaat niet alleen over muurhagedis. In Maastricht-Noord komen ook hazelworm en levendbarende hagedis voor. De hazelworm is op veel plekken aanwezig, onder meer in ruigtes, bosranden, bermen en struweel. De levendbarende hagedis is veel zeldzamer en leeft nog slechts op een beperkt deel van de spoorlijn bij de Belgische grens.
Maatregelen voor de muurhagedis kunnen ook voor deze soorten waardevol zijn, wanneer er naast stenige structuren voldoende ruigte, hout, schraal grasland, vochtige delen en rustige overgangen aanwezig zijn.
RAVON adviseert over onderzoek, inrichting, beheer en ecologische begeleiding voor reptielen in stedelijk gebied. In Maastricht gaat het om een samenhangende aanpak: bestaande leefgebieden behouden, nieuwe leefgebieden maken en verbindingen herstellen.
Alleen wanneer die onderdelen samen worden uitgevoerd, krijgt de muurhagedis in Maastricht voldoende ruimte om als natuurlijke populatie te blijven bestaan.