De kwaliteit van een poel wordt bepaald door het water, de begroeiing en het landschap eromheen. Ook invloeden zoals verdroging, vermesting en de aanwezigheid van vissen spelen een rol. Hieronder lees je welke factoren belangrijk zijn en hoe ze de natuurwaarde van een poel beïnvloeden.
Waterplanten, oeverplanten en begroeiing rondom de poel bieden voedsel, schuilplaatsen en voortplantingsmogelijkheden voor veel dieren. Tegelijkertijd kan een poel zonder beheer dichtgroeien of te sterk beschaduwd raken, waardoor de omstandigheden voor sommige soorten minder geschikt worden.
De jaarlijks afstervende water- en oeverplanten zakken samen met invallend blad van bomen (in het najaar) af naar de bodem van de poel en zorgen daar voor een steeds dikker wordende laag organisch materiaal. Geleidelijk wordt de poel hierdoor ondieper en verschuift de samenstelling van de vegetatie van waterplanten naar planten die in de oever en verder op het land groeien. Als dit proces lang genoeg doorgaat, raakt de poel uiteindelijk helemaal dichtgegroeid met struiken en bomen en verdwijnt het open water. Dit natuurlijke proces heet verlanding.
Een beginnende verlanding is niet per definitie slecht. ‘Verlandingsvegetaties’ – plantengemeenschappen die ontstaan tijdens verlanding – kunnen juist heel waardevol zijn. Ze bieden beschutting, voedsel en plekken waar dieren hun eieren kunnen afzetten. Problemen ontstaan echter wanneer het verlandingsproces te snel verloopt. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren door een grote hoeveelheid invallend blad (waar veel bomen rond een poel staan), maar ook door vermesting: een teveel aan voedingsstoffen, bijvoorbeeld afkomstig van vee dat de poel als drinkplaats gebruikt, of van uitspoeling van meststoffen van de landbouw. Onder die omstandigheden krijgen snelgroeiende plantensoorten de overhand, waardoor de mate van variatie in de vegetatie afneemt en de habitat voor minder soorten iets te bieden heeft.
Waar veel bomen nabij een poel groeien, zorgt beschaduwing van het water ook voor een vermindering van de opwarming van het water. Opwarming is echter noodzakelijk voor het ontstaan van plantaardig en dierlijk plankton, wat de basis vormt van de ‘voedselpiramide’ in een poel. Zonder plankton kunnen andere soorten die in poelen voorkomen er niet (lang) overleven. Daarnaast is opwarming bijvoorbeeld ook belangrijk voor de ontwikkeling van eieren van amfibieën in het water.
Bekijk regelmatig hoeveel open water er nog aanwezig is, hoe snel de begroeiing zich uitbreidt en hoeveel zonlicht de poel gedurende de dag ontvangt. Als de poel te sterk dichtgroeit of beschaduwd raakt, kan gefaseerd verwijderen (oever)vegetatie of slib nodig zijn. Laat altijd voldoende water- en overvegetatie staan en voorkom dat de poel in één keer volledig wordt opgeschoond. Lees hier meer over beheer:
Beheer
De waterstand bepaalt hoeveel leefruimte er beschikbaar is voor waterdieren en -planten. Sommige poelen bevatten het hele jaar water, terwijl andere in de zomer gedeeltelijk of volledig droogvallen. Beide situaties kunnen ecologisch waardevol zijn.
Een poel die periodiek droogvalt, kan juist geschikt zijn voor amfibieën. Vissen kunnen zich hier doorgaans minder goed handhaven, waardoor de larven van amfibieën minder risico lopen om door vissen te worden opgegeten. Droogval wordt een probleem wanneer deze te vroeg of te vaak optreedt. Als de poel droogvalt voordat de larven zich volledig hebben ontwikkeld, kan een voortplantingsseizoen mislukken.
In een poel wordt het waterpeil bepaald door de aanvoer en verdamping van water. Als de bodem van de poel doorlatend is, wordt volgt het waterpeil het peil van het grondwater. Als de bodem niet doorlatend is (bijvoorbeeld door een kleilaag), dan wordt een poel door regenwater gevuld. Van nature is de waterstand in poelen hoog in de winter en in het voorjaar. In de zomer zakt het peil vervolgens langzaam. Door warme, droge zomers kan de kans op droogval toenemen.
Houd bij wanneer de poel droogvalt en of er op dat moment nog larven aanwezig zijn. Vergelijk dit zo mogelijk met eerdere jaren. Valt de poel steeds vroeger droog, onderzoek dan of er sprake is van een structurele verandering in de waterhuishouding. Het verdiepen of permanent watervoerend maken van een poel is niet automatisch de beste oplossing: de gewenste waterstand hangt af van de soorten en de lokale omstandigheden.

Een goede waterkwaliteit is belangrijk voor de planten en dieren die in een poel leven. De hoeveelheid voedingsstoffen in het water speelt daarbij een belangrijke rol.
Wanneer er teveel voedingsstoffen in een poel terechtkomen, spreken we van eutrofiëring (verrijking van het water). Dit gebeurt vaak door aanvoer van stikstof en fosfaat, bijvoorbeeld via meststoffen uit de omgeving. Een teveel aan voedingsstoffen leidt tot het verdwijnen van veel plant- en diersoorten, omdat snelgroeiende plantensoorten de overhand nemen.
Bij eutrofiëring kunnen een dichte laag kroos of massale algengroei ontstaan. Hierdoor slibt de poel sneller dicht (verlanding), neemt de variatie aan planten af en kan het water zelfs verzuren. Ook vormt zich vaak een dikke sliblaag op de bodem. Wanneer algen en planten afsterven, verbruiken micro-organismen zuurstof bij de afbraak ervan. Hierdoor kan zuurstofgebrek ontstaan, wat schadelijk is voor waterdieren.
Lees hier meer over beheer:
Beheer

Vissen kunnen een grote invloed hebben op het leven in een poel. Vissen eten amfibieën en ongewervelden (inclusief hun larven en eitjes) en kunnen in poelen zorgen voor een drastische afname van de aantallen van deze dieren. Ze hebben daarmee een direct nadelig effect op allerlei soorten, maar er ontstaat ook een verstoring van de balans in het ecosysteem. Als ongewervelden en amfibieën die zich voeden met algen in mindere mate aanwezig zijn in het water, zorgt dat voor een toename van deze algen en vervolgens voor een vertroebeling van het water.
Vissen kunnen bewust worden uitgezet. Regelmatig gaat dit om vissen uit vijvers of aquaria die niet langer gewenst zijn. Dit zijn bijvoorbeeld goudvissen of goudelritsen, maar ook de uit Noord-Amerika afkomstige zonnebaars is op veel plekken in Nederlandse natuurwateren gedumpt. Deze roofvis jaagt fanatiek op alles wat in zijn bek past en vermeerdert zich snel. Op plekken waar zonnebaarzen in voortplantingswateren van kamsalamander en knoflookpad zijn uitgezet, dreigen deze amfibieën lokaal uit te sterven ten gevolge van de predatie. Inmiddels mag de zonnebaars in de EU niet meer worden gehouden en verhandeld, maar helaas zijn er andere, vergelijkbare vissoorten voor in de plaats gekomen in de handel. Daarnaast is de zonnebaars al op zoveel plekken aanwezig dat deze niet meer volledig uit onze wateren te verwijderen is. Lokaal is dit wel mogelijk, door droogval van een poel (of door menselijk ingrijpen, waarbij een poel leeg wordt gepompt). De aanwezige zonnebaarzen of andere vissen verdwijnen dan weer en de van nature voorkomende amfibieën, libellen en andere ongewervelden kunnen weer in aantallen toenemen.

In beek- en rivierdalen worden poelen op natuurlijke wijze gekoloniseerd door vis, omdat er bij hoge waterstanden water uit deze beken en rivieren de poelen in stroomt.
Voorkom dat vissen worden uitgezet in poelen die bedoeld zijn als voortplantingswater voor amfibieën. Poelen die zich in overstromingszones van rivieren of beken bevinden kunnen voorzien worden van een ringdijk om te voorkomen dat ze in contact komen met beek- of rivierwater. Door bij de aanleg rekening te houden met dat een poel regelmatig droog komt te vallen, voorkom je ook dat vissen gedurende langere periode kunnen overleven in een poel. Vermoed je dat vissen de natuurwaarde van een poel negatief beïnvloeden, laat dan beoordelen welke maatregelen passend zijn. Het verwijderen van vissen vraagt om een zorgvuldige aanpak en mag niet leiden tot schade aan andere beschermde soorten.

Steeds vaker veroorzaken uitheemse waterplanten (waterplanten die niet van nature in Nederland voorkomen) problemen in poelen. Vooral uitheemse waterplanten uit tuinvijvers en aquaria vormen in ons land een probleem. Deze soorten kunnen – al dan niet opzettelijk – in natuurwateren terechtkomen. Uitheemse waterplanten die zich vervolgens in zeer hoog tempo vermeerderen en daarbij inheemse plantensoorten verdringen, noemen we invasief.
De grootste overlast in poelen komt momenteel van watercrassula (Crassula helmsii). Deze soort neemt in Nederland explosief toe en vormt – vooral in Brabant – inmiddels een groot probleem. Deze soort is in staat om in korte tijd een poel volledig te overwoekeren, waardoor er geen ruimte meer is voor (bijzondere) inheemse planten en er zelfs nauwelijks nog licht in het water komt. Voor vestiging op nieuwe plekken is een heel klein stukje stengel van deze plant al genoeg! Dit soort kleine fragmenten lift makkelijk mee met veldmaterialen (schepnet, zolen van laarzen etc.), waardoor het risico op verspreiding groot is. Wees dus terughoudend met het werken in met watercrassula geïnfecteerde wateren en maak veldmateriaal altijd grondig schoon voordat je een andere poel bezoekt.

Voor amfibieën geldt dat ze maar een beperkt deel van het jaar in het water aanwezig zijn. Buiten de voortplantingstijd verblijven volwassen amfibieën op de oevers en in het omliggende land van een poel. Voor amfibieënlarven geldt dat ze in de loop van het voorjaar en zomer metamorfoseren (ze ontwikkelen zich tot de volwassen vorm van de soort) en het land op kruipen om er te schuilen, voedsel te zoeken en overwinteren. De kwaliteit van de landhabitat is dus net zo belangrijk als de kwaliteit van het water en heeft grote invloed op het functioneren van een poel. Ook libellen hebben als ze volwassen zijn behoefte aan gevarieerde, structuurrijke vegetaties (ruigte, bosranden ed.) om te jagen en schuilen.
Houtwallen, ruige graslanden, struweel, stenen, dood hout en andere structuurrijke plekken kunnen geschikte schuilplaatsen bieden. Afhankelijk van de soort zijn ook vochtige plekken, losse grond en ruimtes onder stenen of hout van belang.
Wanneer de omgeving bestaat uit intensief beheerd grasland, verharding of andere ongeschikte terreinen, kan het leefgebied beperkt raken. Ook wegen, bebouwing en andere barrières kunnen de verplaatsing tussen poelen bemoeilijken. Een netwerk van geschikte poelen en tussenliggend landhabitat maakt het voor dieren mogelijk om zich tussen leefgebieden te verplaatsen. Dat is belangrijk voor het voortbestaan van populaties en het bereiken van nieuwe leefgebieden.