Een poel aanleggen

Zelf aan de slag: een poel aanleggen

Het aanleggen van een poel vraagt maatwerk, met aandacht voor lokale factoren zoals grondwaterstand, flora en fauna.

Richtlijnen bij aanleg poel

Bij het aanleggen van een poel is het belangrijk om rekening te houden met een aantal richtlijnen die in principe overal kunnen worden aangehouden. Het op de juiste wijze aanleggen van een poel is echter in elke situatie verschillend en is afhankelijk van de soorten die voorkomen, de inrichting van het gebied en de grondwaterstand. Het is verstandig om deskundig advies in te winnen bij de planning van aanleg van een nieuwe poel. Zowel bij provincies als bij RAVON, FLORON en de Vlinderstichting kan advies ingewonnen worden over de locatiekeuze voor nieuwe poelen. De soortorganisaties kunnen ook veel waardevolle input geven voor de inrichting van poelen, om deze voor bepaalde soorten flora en fauna geschikt te maken.

Kenmerken van een geschikte poel voor veel amfibieën, libellen en andere ongewervelden:

  • stilstaand water
  • zonnige ligging
  • brede ondiepe oeverzone
  • voldoende diep (evt droogval pas aan het einde van de zomer)
  • voldoende voedsel voor amfibieën (algen en plankton)
  • (matig) rijk aan voedingsstoffen
  • voldoende watervegetatie (maar niet overwoekerd)
  • niet te zuur ( pH > 4/6)
  • geen vissen aanwezig
  • geschikt landbiotoop in de direct omgeving

In sommige gevallen kan het wenselijk zijn om een poel gericht aan te leggen voor specifieke doelsoorten die andere eisen stellen aan de habitat.

Wanneer?

Een poel kan in principe in elke periode van het jaar aangelegd worden. Op locaties met een hoge grondwaterstand (drassige bodem) vormt het werken met een graafmachine echter vaak een probleem. De werkzaamheden kunnen in dat geval het beste worden uitgevoerd in een droge periode (einde zomer), hoewel er dan een kans bestaat dat er schade wordt toegebracht aan flora en fauna. Het is belangrijk om dit (ruim) voorafgaand aan de werkzaamheden te (laten) onderzoeken en in bepaalde gevallen is het noodzakelijk om een Omgevingsvergunning aan te vragen. Een alternatieve periode voor graafwerk met een graafmachine bij een hoge grondwaterstand is bij vorst. De risico’s voor flora en fauna kunnen dan minder groot zijn, maar het is ook in deze periode belangrijk om hier onderzoek naar te doen. Er kunnen zich in bepaalde situaties overwinterende dieren in het te vergraven terrein bevinden. Een ander nadeel in de winter is dat een bevroren bodem een probleem kan opleveren voor de werkzaamheden.

Locatiekeuze

  • Kies een laaggelegen deel van het terrein. In een beekdal is het niet aan te bevelen om de poel pal naast de beek aan te leggen. Overstroming door de beek kan vervuild water of vissen in de poel brengen.
  • De laagste grondwaterstand (in de nazomer) dient bij voorkeur niet meer dan 1 meter beneden maaiveld te zijn. Wanneer een poel te vroeg in het jaar droogvalt zal de voortplanting van amfibieën niet slagen. In uitzonderlijke gevallen kun je ervoor kiezen een ondoorlatende laag klei aan te brengen om water vast te houden, maar het heeft de voorkeur een locatie met een hogere grondwaterstand te zoeken.
  • Een poel ligt bij voorkeur minimaal 50% van de dag in de zon. Houd dus rekening met de ligging ten opzichte van bomen en gebouwen. Houd daarvan minimaal 10-20 meter afstand.
  • Invallend blad door nabijgelegen bomen en bos kan een snelle verlanding veroorzaken. Dat noodzaakt tot veelvuldig opschonen van de poel. Dat is niet wenselijk, want elke opschoning is een verstoring voor het leven in de poel.
  • Zorg dat in de directe omgeving van de poelen geschikt landbiotoop aanwezig is. Dit zijn bijvoorbeeld percelen met structuurrijke vegetatie, zoals heide, ruigtekruidenvegetaties, soortenrijk hooiland, loofbos, hagen, struikgewas, moeras, etc..
  • Leg een poel niet direct aan een druk bereden weg. Dit zorgt bij amfibieën voor verkeersslachtoffers.
  • Leg een poel aan op een rustige locatie waar weinig mensen komen (liefst een eindje van fiets- en wandelpaden af). Dit verkleint de kans op ongewenste uitzetting van vissen.
  • Zorg dat de poel geïsoleerd is van andere wateren. Afstroming van landbouwgronden of overstroming door vervuilde beken kunnen de waterkwaliteit nadelig beïnvloeden en bovendien zorgen voor de introductie van vis.
  • In verzuringsgevoelige gebieden, zoals heide en naaldbos op arme zandgronden, leg je poelen bij voorkeur aan op de overgang naar agrarisch gebied. Enige verrijking voorkomt verzuring. Teveel verrijking door inspoeling vanuit een aangrenzende akker is niet aan te bevelen. Weilanden worden meestal minder intensief bemest.
  • In poelenrijke gebieden worden poelen op een afstand van maximaal 400 m vanaf een andere poel aangelegd. Hierdoor is de poel bereikbaar voor amfibieën die zich in reeds bestaande wateren in de omgeving bevinden (mits de landhabitat deze verplaatsing toelaat). Zo zal de nieuwe poel gegarandeerd snel door deze dieren worden bevolkt en kan er een goede uitwisseling tussen de poelen
  • Houd bij plaatsing rekening met bijzondere vegetatie of andere natuurwaarden.

 

Diepte en waterpeil

  • Creëer een poel die jaarrond water houdt. Het is niet erg als de poel eens per 3-5 jaar uitdroogt in de nazomer. Op deze manier verdwijnen bijvoorbeeld vissen weer uit de poel, wat gunstig is voor de overige fauna.
  • Maak een poel 0,5 tot 1 meter dieper dan de laagste grondwaterstand in de zomer. Informatie over de grondwaterstand kan verkregen worden bij waterschap, hoogheemraadschap, polderdistrict, landinrichtingsdienst of publieke werken, of door zelf met een handboor de diepte van het grondwater te bepalen.
  • In sterk glooiende terreinen kan de bodem van een poel afgedicht worden met leem of klei (of in sommige gevallen beton). Afstromend regenwater zal voor voldoende water in de poel moeten zorgen. Een diepte van 1 á 1,5 m zal dan voldoende zijn om droge perioden te kunnen doorstaan zonder droog te vallen. Gebruik van folie heeft zeker niet de voorkeur, omdat het niet milieuvriendelijk is en door slijtage ook niet duurzaam is.
  • Te diepe poelen (meer dan 1 meter beneden de laagste grondwaterstand) worden op den duur vaak door vissen bevolkt. Een goed ontwikkeld vissenbestand maakt een water voor de meeste amfibieën ongeschikt. Bovendien warmen diepe poelen niet snel op.

 

Afmetingen en talud

  • Maak een poel voldoende groot, met een doorsnede van 20 tot 30 meter.
  • Te kleine poelen (minder dan 10 meter doorsnede) vragen vanwege snelle verlanding om regelmatig onderhoud, wat in de praktijk vaak achterstallig blijft.
  • Het talud van een poel loopt bij voorkeur flauw af (1:10). Bij ruimtegebrek of lage grondwaterstanden ken men ervoor kiezen het talud aan de zuidzijde steiler te maken (1:2) De poel zal dan niet voor alle soorten geschikt zijn. Warmteminnende soorten tref je alleen aan in ondiepe poelen met een flauw talud. De noordelijke oever wordt door de zon beschenen en is daarom het belangrijkst.

 

Toestemming

  • Voor het graven van een poel kan het nodig zijn een aanlegvergunning aan te vragen bij de gemeente en een ontgrondingsvergunning bij de provincie. De richtlijnen hiervoor variëren per gemeente en per provincie. Wanneer bij de aanleg beschermde soorten worden verstoord, is er een Omgevingsvergunning nodig.

 

Landbiotoop rond een poel

  • Geschikt landbiotoop waar allerlei soorten voedsel en schuilplekken kunnen vinden, is belangrijk. Denk aan ruigtes, houtwallen, bosranden .
  • De aarde die vrijkomt bij de aanleg van een poel kan in bepaalde gevallen rondom de poel verwerkt worden. Dit bespaart transportkosten en vermindert uitstoot. Door de aarde vooral op de noordelijke oever te verwerken, ontstaat een zonnige wal, die geschikt is voor warmteminnende soorten.
  • Bij poelen die in een beekdal worden gegraven, kan de vrijgekomen grond rond de poel worden verspreid. De poel zal dan minder snel overstroomd raken.
  • In sommige gevallen is een grondwal landschappelijk ongewenst. In die situaties is het beter om de grond in de omgeving van de poel te verspreiden of af te voeren. In het laatste geval is een ‘schone grond verklaring’


Tip: Ook voor het aanleggen van een poel zijn soms subsidies of vergoedingen beschikbaar via provincie of gemeente.

Lees meer over:

Een poel is nooit “af”. Goed beheer zorgt ervoor dat hij geschikt blijft voor de soorten die ervan afhankelijk zijn.
Poelen zijn waardevol voor allerlei flora en fauna, mits deze voldoet aan een aantal belangrijke eisen.