Zelf aan de slag met een nieuwe poel? Een goede poel begint met een goede locatie. De grondwaterstand, ligging, omgeving en aanwezige natuurwaarden bepalen voor een groot deel of een poel succesvol wordt.
De aanleg van een poel is maatwerk. De onderstaande richtlijnen helpen je bij het maken van keuzes, maar bij een nieuwe poel is het verstandig om vooraf deskundig advies in te winnen.
De locatie is één van de belangrijkste keuzes bij het aanleggen van een poel.
Bomen en bos dicht bij de poel kunnen voor veel bladval en schaduw zorgen. Hierdoor kan de poel sneller verlanden en is vaker onderhoud nodig.
Houd daarom bij voorkeur 10–20 meter afstand tot bomen en gebouwen.
Een goede poel is niet alleen een plek met water. Amfibieën brengen een groot deel van hun leven op het land door. Zorg daarom rondom de poel voor geschikt leefgebied, bijvoorbeeld:

Een poel moet voldoende lang water bevatten om voortplanting van amfibieën mogelijk te maken.
Een goede richtlijn is om de poel ongeveer 0,5–1 meter dieper te maken dan de laagste grondwaterstand in de zomer. Controleer daarom vóór de aanleg hoe hoog het grondwater staat. Informatie hierover is soms verkrijgbaar bij het waterschap of de gemeente, of via het DINOloket. Je kunt de grondwaterstand ook zelf onderzoeken met een handboor. Wanneer het grondwater te diep zit, dan is het afdichten van een poel met een kleibodem of het aanleggen van een betonpoel een mogelijk alternatief. De poel wordt dan gevoed door regenwater in plaats van grondwater.
Een poel hoeft echter niet permanent water te bevatten. Eens in de 3–5 jaar droogvallen in de nazomer kan juist gunstig zijn, omdat vissen hierdoor kunnen verdwijnen. Vissen zijn voor veel amfibieën een belangrijke bedreiging.

Een geschikte poel heeft:
Voorkom dat voedselrijk water vanuit landbouwgrond rechtstreeks de poel instroomt. Ook overstroming vanuit vervuilde beken kan de waterkwaliteit verslechteren en vissen in de poel brengen.
Op arme zandgronden, bijvoorbeeld in heide en naaldbos, bestaat een groter risico op verzuring. Daar kan het gunstig zijn om een poel aan te leggen op de overgang naar agrarisch gebied. Voorkom daarbij wel dat er grote hoeveelheden meststoffen of voedselrijk water vanuit een aangrenzende akker in de poel terechtkomen.
Een nieuwe poel wordt aantrekkelijker wanneer hij onderdeel vormt van een netwerk van poelen.
In gebieden met meerdere poelen is het daarom wenselijk om nieuwe poelen niet te ver van bestaande poelen aan te leggen. Als richtlijn kan een afstand van maximaal 350 meter tot een andere poel worden aangehouden, mits het landbiotoop geschikt is.
Een poel kan nog zo geschikt zijn, maar heeft weinig waarde als dieren hem niet kunnen bereiken. Let daarom op:

Bij het graven van een poel komt vaak veel grond vrij. Bedenk vooraf wat hiermee gebeurt.
Soms kan de grond rondom de poel worden verwerkt. Bijvoorbeeld door aan de noordzijde een lage grondwal te maken. Zo ontstaat aan de zuidzijde een zonnige, warme plek die geschikt kan zijn voor warmteminnende soorten.
In een beekdal kan de grond rondom de poel worden verspreid, zodat de poel minder snel overstroomt. Een grondwal is echter niet overal landschappelijk wenselijk. In dat geval kan de grond in de omgeving worden verspreid of worden afgevoerd.
Aan het afvoeren van grond zijn vaak regels verbonden. In veel gevallen moet de grond vooraf beoordeeld worden op eventuele vervuilingen, hier zijn kosten aan verbonden.
Voor het graven van een poel kunnen verschillende regels gelden.
Afhankelijk van de locatie en de werkzaamheden kan bijvoorbeeld een Omgevingsvergunning of andere toestemming nodig zijn. Ook kunnen beschermde soorten of andere natuurwaarden een rol spelen.
Controleer daarom altijd vóór de aanleg bij je gemeente en eventueel provincie of waterschap welke regels en vergunningen van toepassing zijn.

Een geschikte poel voor veel amfibieën, libellen en andere waterdieren heeft:
✓ stilstaand water
✓ een zonnige ligging
✓ een brede, ondiepe oeverzone
✓ voldoende diepte om langere tijd water te houden
✓ voldoende watervegetatie, maar geen volledige overgroei
✓ een geschikte waterkwaliteit
✓ geen vissen
✓ verbinding met andere geschikte leefgebieden
✓ geschikt landbiotoop rondom de poel

Let op: niet iedere soort heeft dezelfde eisen. Soms is het juist wenselijk om een poel specifiek voor één of enkele doelsoorten aan te leggen. In dat geval kunnen de inrichting en afmetingen afwijken van bovenstaande richtlijnen