Komt een soort nog voor op een bepaalde plek? Die vraag klinkt eenvoudig, maar het antwoord vinden is vaak lastig. Veel amfibieën, reptielen en vissen leven verborgen, zijn slechts een korte periode actief of laten zich alleen bij geschikt weer zien. Een gladde slang kan roerloos verdwijnen tussen de vegetatie, een salamander brengt een groot deel van het jaar op het land door en sommige vissen verschuilen zich diep in de modder. Dat een dier niet wordt gezien, betekent dus niet automatisch dat het er niet is.
RAVON onderzoekt waar amfibieën, reptielen en vissen in Nederland voorkomen. Deze kennis is nodig om veranderingen tijdig te signaleren, leefgebieden te beschermen en beheermaatregelen goed af te stemmen. Een belangrijk deel van dit verspreidingsonderzoek vindt plaats binnen het Netwerk Ecologische Monitoring. Daarbij werken beroepskrachten en vrijwilligers samen om historische vindplaatsen opnieuw te bezoeken en gebieden te onderzoeken waar nog kennis ontbreekt.
Van veel soorten is bekend waar ze in het verleden zijn gevonden. Maar een waarneming van tien of twintig jaar geleden vertelt niet altijd iets over de huidige situatie. Een poel kan zijn dichtgegroeid of drooggevallen, een beek kan zijn gekanaliseerd en een heideterrein kan door ander beheer sterk zijn veranderd. Andersom kan natuurherstel ervoor zorgen dat een soort terugkeert. Daarom worden oude vindplaatsen opnieuw onderzocht. Waarnemers zoeken binnen geselecteerde kaartvakken naar geschikte leefgebieden. Voor amfibieën en reptielen gebeurt dat meestal binnen gebieden van tien bij tien kilometer. Daarbinnen krijgen bekende vindplaatsen en kansrijke kilometerhokken extra aandacht. Bij vissen wordt vaak gewerkt met kilometerhokken van één bij één kilometer, waar geschikte sloten, beken, plassen of andere wateren worden bemonsterd.
Goed verspreidingsonderzoek begint met kennis van het gedrag van de doelsoort. Wie een heikikker zoekt, gebruikt een andere methode dan iemand die onderzoek doet naar een beekprik of hazelworm. Amfibieën kunnen in het voorjaar worden opgespoord door te luisteren naar roepende mannetjes. Ook wordt gezocht naar eitjes, larven en volwassen dieren. Met een schepnet kunnen poelen en sloten worden bemonsterd. Reptielen worden vaak gevonden door langzaam langs zonnige bosranden, heidevelden, ruigtes en andere overgangen tussen open en beschutte plekken te lopen. Kunstmatige schuilplaatsen, zoals platen of dakpannen, bieden extra mogelijkheden om soorten als hazelwormen en slangen aan te treffen. Bij vissen wordt onder meer gebruikgemaakt van schepnetten, zaklampen, fuiken of speciaal materiaal voor soorten met een bijzondere leefwijze. Welke methode geschikt is, hangt af van het watertype, de soort en het seizoen.
Ook nieuwe technieken spelen een steeds grotere rol. Een belangrijk voorbeeld is environmental DNA, meestal afgekort tot eDNA. Dieren laten voortdurend kleine sporen van erfelijk materiaal achter in hun omgeving, bijvoorbeeld via huidcellen, slijm en uitwerpselen. Door een watermonster te nemen en dit in een laboratorium te analyseren, kan worden vastgesteld of DNA van een bepaalde soort aanwezig is. Zo kunnen ook moeilijk vindbare soorten worden opgespoord zonder dat ze gevangen of gezien hoeven te worden. eDNA is vooral waardevol bij soorten die in lage aantallen voorkomen, zich goed verbergen of leven in wateren die lastig te bemonsteren zijn. De methode vervangt het traditionele veldwerk echter niet volledig. DNA kan aantonen dat een soort aanwezig is, maar vertelt meestal weinig over het aantal dieren, hun leeftijd of hun precieze verblijfplaats. Daarom levert een combinatie van technieken vaak de betrouwbaarste informatie.
Een waarneming is duidelijk: de soort is gevonden. Maar ook een nulwaarneming kan waardevolle informatie opleveren. Dat is een bezoek waarbij gericht, in de juiste periode en met een geschikte methode is gezocht, zonder dat de doelsoort werd aangetroffen. Eén bezoek is meestal onvoldoende om te concluderen dat een soort afwezig is. Misschien was het te koud, te droog of te winderig. Sommige dieren waren mogelijk verborgen of tijdelijk niet actief. Daarom werkt RAVON met richtlijnen voor de minimale zoekinspanning. Meerdere bezoeken onder goede omstandigheden vergroten de kans dat een aanwezige soort daadwerkelijk wordt gevonden.
Wanneer een soort ondanks voldoende inspanning niet wordt aangetroffen, kan dat erop wijzen dat zij uit een gebied is verdwenen. Het kan ook betekenen dat aanvullend onderzoek nodig is, bijvoorbeeld met eDNA of een andere onderzoeksmethode. Nulwaarnemingen voorkomen bovendien dat oude gegevens jarenlang blijven meetellen alsof een populatie nog steeds aanwezig is.
Verspreidingsonderzoek is alleen mogelijk dankzij veel mensen die het veld ingaan. Vrijwilligers bezoeken poelen, heidevelden, bermen, beken en sloten waar onderzoekers niet ieder jaar zelf kunnen komen. Zij controleren oude vindplaatsen, ontdekken nieuwe populaties en bouwen waardevolle lokale kennis op. Waarnemingen worden doorgegeven via invoerportalen zoals Waarneming.nl en Telmee. Daarbij zijn niet alleen de soort en locatie belangrijk, maar ook de datum, gebruikte methode en zoekinspanning. Bij visonderzoek is het waardevol om alle aangetroffen soorten te registreren, niet alleen de doelsoort. Zulke complete soortenlijsten maken het mogelijk om gebieden en onderzoeksjaren beter met elkaar te vergelijken. Na controle komen de gegevens beschikbaar voor verspreidingskaarten, trendberekeningen, atlassen en Rode Lijsten. Ze worden ook gebruikt bij Natura 2000, het volgen van invasieve exoten, natuurbeheer en ruimtelijke ontwikkelingen.
Verspreidingsonderzoek is meer dan het inkleuren van een kaart. De resultaten laten zien waar soorten standhouden, waar populaties verdwijnen en waar leefgebieden onder druk staan. RAVON gebruikt deze kennis voor onderzoek en advies. Beheerders kunnen daardoor maatregelen nemen op plekken waar ze het hardst nodig zijn, bijvoorbeeld door poelen te herstellen, oevers natuurvriendelijk in te richten of verbindingen tussen leefgebieden te verbeteren. Weten waar soorten voorkomen is de eerste stap naar effectieve bescherming. Door traditioneel veldwerk, nieuwe technieken zoals eDNA en de inzet van vrijwilligers te combineren, blijft het beeld van de Nederlandse amfibieën, reptielen en vissen zo actueel en betrouwbaar mogelijk.