Veel amfibieën, reptielen en vissen zijn moeilijk te volgen. Ze leven verborgen, verplaatsen zich ’s nachts, verdwijnen onder water of gebruiken plekken waar je als onderzoeker niet voortdurend bij kunt zijn. Toch zijn juist die bewegingen vaak belangrijk. Waar overwinteren dieren? Welke routes gebruiken ze? Blijven vissen in één beektraject of trekken ze verder? Vinden dieren een passage, of blijven ze ervoor hangen?
Met zenderonderzoek kan RAVON individuele dieren volgen. Zo wordt zichtbaar hoe soorten hun leefgebied gebruiken en waar inrichting, beheer of bescherming beter op moet aansluiten.
Een losse waarneming vertelt waar een dier op dat moment is. Zenderonderzoek laat zien wat er daarna gebeurt. Dat maakt de methode waardevol bij vragen over migratie, habitatgebruik, faunapassages, vispassages en beheer.
Met zenderonderzoek kan onder meer worden onderzocht:
Om meer te weten te komen over het leefgebied, de verplaatsingen en het migratiegedrag van vissen, reptielen en amfibieën maakt RAVON gebruik van verschillende zendertechnieken. Welke techniek wordt gekozen, hangt onder andere af van de diersoort, de grootte van het dier, het leefgebied en de onderzoeksvraag.
Een veelgebruikte techniek bij vissen is de PIT-tag. Dit is een kleine, passieve chip met een unieke code, die via een kleine ingreep in het dier wordt aangebracht. De tag heeft geen batterij en kan daardoor jarenlang functioneren. Met vaste antennes, bijvoorbeeld bij een vispassage, wordt geregistreerd wanneer een dier een bepaalde plek passeert. Met draagbare antennes kunnen onderzoekers vissen ook lokaal opsporen en zo onderzoeken welke delen van een beek of ander water als leefgebied worden gebruikt. RAVON gebruikte deze techniek bijvoorbeeld om dertien vissoorten in de Itterbeek te volgen.
Bij grotere vissen kan akoestische telemetrie worden toegepast. Hierbij zendt een actieve zender geluidssignalen uit die door ontvangers of hydrofoons onder water worden opgevangen. Zo kunnen vissen over grotere afstanden worden gevolgd en kan worden onderzocht hoe zij langs sluizen, dammen en andere obstakels migreren. Deze techniek wordt onder meer gebruikt bij onderzoek naar trekvissen rond de Haringvlietdam.
Voor reptielen en amfibieën kan radiotelemetrie worden ingezet. Het dier draagt dan een kleine actieve radiozender die met een handontvanger en richtantenne kan worden opgespoord. Door een dier regelmatig terug te vinden, ontstaat een gedetailleerd beeld van zijn terreingebruik, verplaatsingen, rustplaatsen en overwinteringsplekken. Radiotelemetrie levert vooral veel informatie over een beperkt aantal individuen en is bijvoorbeeld toegepast bij onderzoek naar het terreingebruik van ringslangen.
RAVON gebruikt verschillende zender- en merktechnieken om dieren te volgen en hun leefgebied beter te begrijpen. In de Itterbeek werden dertien vissoorten voorzien van PIT-tags, waarmee verplaatsingen door beektrajecten en vispassages konden worden geregistreerd. Ook grote modderkruipers kregen PIT-tags om hun habitatgebruik in sloten te onderzoeken. Bij Gemaal Schoute in Scheveningen werd de werking van een vispassage voor glasaal getest met zichtbare VIE-tags en terugvangsten.
Voor grotere trekvissen bij de Haringvlietdam wordt akoestische telemetrie gebruikt. Daarmee kan worden gevolgd hoe onder andere steuren sluizen en andere barrières passeren. Een vergelijkbare techniek wordt toegepast bij jonge Europese steuren in de Rijn. Hun akoestische zenders geven inzicht in de trek richting zee en in mogelijke knelpunten onderweg.
Op het land kan radiotelemetrie worden ingezet. Zo zijn ringslangen met kleine radiozenders gevolgd om rustplaatsen, verplaatsingen en terreingebruik in kaart te brengen. Bij knoflookpadden gebruikt RAVON PIT-tags en antennes in proefvelden. Daarmee wordt onderzocht welke landbouwgewassen de dieren gebruiken en hoe bodembewerking hun leefgebied beïnvloedt.
Zenderonderzoek is ook geschikt om passages te beoordelen. Een passage kan op papier goed ontworpen zijn, maar de vraag is of dieren hem ook vinden en gebruiken. Door gemerkte dieren te volgen, wordt duidelijk waar ze aankomen, hoeveel tijd passage kost en waar knelpunten zitten. Bij vispassages kunnen antennes bijvoorbeeld vastleggen of vissen door een voorziening trekken. Bij faunapassages kan worden onderzocht of dieren langs de juiste route worden geleid. Zo wordt niet alleen gekeken naar de aanwezigheid van een voorziening, maar naar het daadwerkelijke gebruik.
De kracht van zenderonderzoek zit in de koppeling tussen diergedrag en inrichting. Als bekend is waar dieren blijven hangen, welke route ze kiezen of welke plekken ze mijden, kunnen maatregelen gerichter worden genomen. Dat kan leiden tot aanpassing van een vispassage, ander onderhoud van een beektraject, betere aansluiting van leefgebieden, behoud van diepe kommen, meer dekking langs oevers of aanpassing van beheer rond overwinteringsplekken. Zenderonderzoek levert daarmee niet alleen gegevens op, maar vooral aanwijzingen voor maatregelen in het veld.
Zenderonderzoek vraagt zorgvuldige voorbereiding. De soort, grootte van het dier, onderzoeksvraag, zendertechniek, meetopstelling en onderzoeksperiode moeten goed op elkaar aansluiten. Ook dierenwelzijn, vergunningen en veldlogistiek spelen een belangrijke rol. RAVON kiest per onderzoek de methode die past bij de soort en de vraag. Soms is een vaste antenne nodig, soms draagbare detectie, soms een combinatie met gewone inventarisaties, habitatopnamen of camerabeelden.