Nevengeul als kraamkamer

Opgroeigebied voor jonge riviervissen

Nevengeulen en strangen vormen kraamkamers voor jonge riviervissen. RAVON onderzoekt en adviseert over inrichting en beheer.

Rivieren zijn voortdurend in beweging. Voor vissen is juist die afwisseling belangrijk: stromend en stilstaand water, ondiepe oevers, zandige bodems, luwtes, geulen, strangen en plassen. Veel riviervissen gebruiken verschillende delen van het rivierenlandschap om te paaien, te schuilen, voedsel te zoeken en op te groeien.

Nevengeulen en aangetakte strangen kunnen daarin een belangrijke rol spelen. Ze bieden jonge vissen beschutte, voedselrijke en ondiepe plekken waar ze kunnen opgroeien voordat ze de hoofdstroom van de rivier gebruiken. Daarmee functioneren ze als kraamkamer voor riviervissen.

Waarom zijn nevengeulen belangrijk?

De waterkwaliteit van de grote rivieren is de afgelopen decennia sterk verbeterd en verschillende migratiebarrières zijn verminderd. Toch blijft herstel van riviervispopulaties op veel plekken achter. Een belangrijke oorzaak is het gebrek aan geschikt leefgebied.

In veel rivieren ontbreekt variatie. Oevers zijn vastgelegd, ondiepe zones zijn schaars en natuurlijke overgangen tussen rivier en uiterwaard zijn verdwenen. Juist die variatie is belangrijk voor jonge vissen. Nevengeulen, strangen en andere uiterwaardwateren kunnen deze ontbrekende leefgebieden deels terugbrengen.

Onderzoek laat zien dat nieuwe wateren in uiterwaarden vaak hogere dichtheden jonge vis bevatten dan de reguliere rivieroever. Vooral meestromende nevengeulen en aangetakte strangen zijn waardevol als opgroeihabitat voor stroomminnende soorten.

Een kraamkamer voor stroomminnende vissen

Stroomminnende vissen, ook wel rheofiele vissen genoemd, zijn soorten die in één of meer levensstadia afhankelijk zijn van stromend water. Denk aan soorten als winde, sneep, barbeel, riviergrondel, kopvoorn, serpeling, bot en rivierdonderpad.

Voor deze soorten zijn nevengeulen en strangen vooral interessant wanneer er voldoende dynamiek aanwezig is. Dat betekent: verbinding met de rivier, variatie in stroming, ondiepe delen, luwtes en natuurlijke bodems. In zulke omstandigheden vinden jonge vissen voedsel, beschutting en geschikte opgroeiplekken.

Het rapport laat zien dat vooral meestromende nevengeulen en aangetakte strangen hoge dichtheden jonge stroomminnende vis kunnen herbergen. Voor sommige soorten, zoals winde, kan duidelijk worden gesproken van een kraamkamerfunctie.

Niet één type water is genoeg

Een belangrijk inzicht is dat verschillende typen uiterwaardwater elkaar aanvullen. Een meestromende nevengeul is niet hetzelfde als een aangetakte strang, rivierarm, geïsoleerde plas of rivieroever. Elk type water heeft een eigen functie en trekt deels andere soorten aan.

Geïsoleerde plassen zijn bijvoorbeeld minder belangrijk voor stroomminnende soorten, maar kunnen juist waardevol zijn voor soorten van rustiger, plantenrijk water. Rivieroevers vormen de overgang tussen de hoofdstroom en de uiterwaardwateren en kunnen belangrijk zijn als uitwijkgebied wanneer geulen of strangen tijdelijk minder geschikt zijn.

Voor een rijke visgemeenschap is daarom niet één standaardmaatregel nodig, maar een gevarieerd rivierenlandschap met verschillende habitattypen naast elkaar.

Wat maakt een nevengeul geschikt?

Een goede nevengeul is meer dan een gegraven watergang naast de rivier. De ecologische waarde hangt af van ligging, vorm, stroming, diepte, bodem, oeverinrichting en verbinding met de hoofdstroom.

Belangrijke kenmerken zijn:

  • permanente of regelmatige verbinding met de rivier;
  • variatie in stroming, van dynamische delen tot rustige luwtes;
  • ondiepe zones waar jonge vissen kunnen opgroeien;
  • zandige of natuurlijke bodems;
  • geleidelijke oevers;
  • variatie in diepte en breedte;
  • voldoende lengte en omvang;
  • aansluiting op rivieroevers en andere uiterwaardwateren;
  • zo min mogelijk harde oeververdediging met stortsteen.

Grote en lange geulen blijken vaak meer vis en meer microhabitats te bieden dan kleine, korte geulen. Ook een afwisselend oever- en diepteprofiel is belangrijk, omdat verschillende soorten en levensstadia verschillende plekken gebruiken.

Let op met stortsteen

Stortsteen kan schuilplaatsen bieden voor sommige vissoorten, maar heeft ook nadelen. Het rapport laat zien dat stortstenen bodems de vestiging van bodemgebonden exotische vissoorten kunnen bevorderen, zoals Kesslers grondel. Daarom is het bij nieuwe inrichting belangrijk om zorgvuldig af te wegen waar harde substraten nodig zijn en waar natuurlijke bodems beter passen.

Voor inheemse stroomminnende vissen zijn zandige bodems, glooiende oevers, ondiepe zones en variatie in stroming vaak belangrijker dan harde, uniforme oeververdediging.

Inrichting en beheer vragen maatwerk

De beste inrichting hangt af van het riviertraject. Een nevengeul langs een vrij afstromende rivier werkt anders dan een geul in een gestuwd traject. Ook waterstanden, sedimentatie, overstromingsdynamiek en beheer bepalen of een nevengeul op lange termijn geschikt blijft.

Sommige nevengeulen kunnen na verloop van tijd verzanden of te eenvormig worden. Dan kan beheer nodig zijn om de gewenste dynamiek, diepteverschillen en verbinding met de rivier te behouden. Tegelijk moet beheer zorgvuldig gebeuren, zodat waardevolle opgroeiplekken en luwtes niet verdwijnen.

Onderzoek met jonge vis

Om de functie van nevengeulen te beoordelen, kijkt RAVON onder andere naar jonge vis. Jonge vissen geven veel informatie over de kwaliteit van een leefgebied. Als juveniele vissen aanwezig zijn, laat dat zien dat een gebied wordt gebruikt als opgroei-, schuil- of mogelijk paaigebied.

Door verschillende typen wateren te bemonsteren en met elkaar te vergelijken, ontstaat inzicht in welke inrichting het meest bijdraagt aan herstel van riviervissen. Deze kennis helpt bij toekomstige rivierprojecten, natuurontwikkeling en beheerplannen.

Advies van RAVON

RAVON adviseert over de inrichting, verbetering en monitoring van nevengeulen, strangen, rivieroevers en andere uiterwaardwateren. Daarbij combineren we kennis van vissoorten met kennis van stroming, bodem, oeverstructuur, waterkwaliteit en beheer.

We helpen bij vragen als: welke soorten komen voor, welke functies ontbreken, waar liggen kansen voor opgroeigebied, hoe kan een geul beter worden ingericht en hoe monitoren we of maatregelen werken?

Zo dragen nevengeulen niet alleen bij aan ruimte voor de rivier, maar ook aan ruimte voor herstel van inheemse riviervissen.

Contact

Rapporten

Onderzoek naar de waarde van nevengeulen, strangen en uiterwaardplassen als paai- en opgroeigebied voor jonge riviervissen.