Sinds 2003 leeft bij Vledder in Drenthe een populatie springkikkers. De dieren zijn afkomstig uit Duitsland en werden als eiklompen uitgezet in een particulier natuurterrein. De springkikker komt van nature vooral voor in Midden- en Zuid-Europa en behoort niet tot de oorspronkelijke Nederlandse fauna.
De populatie groeide in enkele jaren sterk. Ten tijde van het onderzoek werd het aantal volwassen springkikkers geschat op minimaal 1.300 dieren, verspreid over ten minste twaalf wateren in vier kilometerhokken. RAVON onderzocht daarom welke risico’s de soort in Nederland met zich mee kon brengen.
De risicoanalyse werd uitgevoerd in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Daarbij is gekeken naar:
Voor het onderzoek zijn literatuur, verspreidingsgegevens, kennis van de situatie rond Vledder en de expertise van Nederlandse en buitenlandse amfibiedeskundigen gebruikt.
Springkikkers leven vooral in en rond lichte loofbossen en kleinschalige landschappen met struweel, ruigte en dood hout. Voor de voortplanting gebruiken ze meestal ondiepe, stilstaande en niet te zure wateren zonder veel vis. De voortplantingswateren liggen vaak dicht bij bos.
Dergelijke omstandigheden komen ook in Nederland voor. Vooral delen van Drenthe, Twente, de Achterhoek, Noord-Brabant, Limburg, het rivierengebied en de binnenduinrand kunnen geschikt leefgebied bieden.
De springkikker kan afstanden van één tot enkele kilometers afleggen. Rond Vledder had de soort zich ten tijde van het onderzoek ongeveer 2,5 kilometer vanaf de oorspronkelijke uitzetlocatie verspreid.
Toch werd de kans op een snelle landelijke uitbreiding als vrij gering beoordeeld. Grote landbouwgebieden, bebouwing, infrastructuur, naaldbossen en zure heide- en hoogveengebieden vormen barrières. Nieuwe introducties door handel of het houden van springkikkers werden eveneens weinig waarschijnlijk geacht.
Natuurlijke kolonisatie vanuit Duitsland, vooral richting Zuid-Limburg, werd op termijn wel mogelijk geacht. In dat geval zou de soort Nederland op eigen kracht bereiken en niet als uitgezette exoot worden beschouwd.
Uit het onderzoek kwamen geen duidelijke aanwijzingen dat de springkikker ernstige schade veroorzaakt. De soort eet verschillende ongewervelden, maar is daarin niet sterk gespecialiseerd. In het buitenland leeft de springkikker vaak samen met de bruine kikker en andere amfibieën.
Ook rond Vledder waren geen negatieve effecten door concurrentie, predatie of hybridisatie vastgesteld. Grote risico’s door ziekten werden evenmin verwacht, al bleven op dit punt onzekerheden bestaan. De ecologische, economische en sociale gevolgen werden daarom als gering ingeschat.
Volgens de gebruikte ISEIA-methodiek viel de springkikker in de categorie laag risico. De Nederlandse situatie werd omschreven als een geïsoleerde populatie.
Omdat de verwachte impact en de kans op verdere verspreiding beperkt waren, kon worden overwogen om niet in te grijpen en de ontwikkeling te blijven volgen. Vanuit het voorzorgsprincipe was verwijdering van de populatie echter ook mogelijk.
De meest kansrijke aanpak bestond uit het jaarlijks verwijderen van de herkenbare eiklompen, gecombineerd met schermen, vangemmers en amfibieënfuiken rond de voortplantingswateren. Zo’n aanpak zou naar verwachting drie tot vijf jaar moeten worden volgehouden.
Ingrijpender maatregelen, zoals het dempen van poelen, uitzetten van vissen of gebruiken van gifstoffen, werden afgeraden vanwege de schade aan andere natuurwaarden.
Het rapport beschrijft de ecologie en verspreiding van de springkikker, de situatie rond Vledder en de afwegingen rond monitoring, beheersing en eventuele verwijdering. Het volledige rapport is onderaan deze pagina te downloaden.