Zoek een soort – Beekprik

Beekprik monitoren | Handleiding voor vrijwilligers

Leer hoe je beekprikken en larven inventariseert. Praktische handleiding voor vrijwilligers met methode, periode, inspanning en materiaal.

Monsterplaatskeuze

Zoek binnen het onderzoeksgebied in beken naar geschikt leefgebied. Voor larven zijn dit stromingsluwe delen met een bodem van modder en detritus. Voor volwassen, paaiende beekprikken zijn ondiepe, snelstromende trajecten met een grindrijke bodem geschikt. Dergelijke locaties worden vaak aangetroffen bij bruggetjes en stuwtjes.

Werkwijze: larven vangen met een schepnet

De larven van de beekprik leven ingegraven in de bodem. Schep daarom door de modder- en detrituslaag in stromingsluwe delen en langs de oevers. Woel daarbij met je voeten door de bodem, zodat de larven in het schepnet terechtkomen. Neem steekproeven en zorg ervoor dat niet het volledige leefgebied wordt verstoord.

Zichtwaarnemingen tijdens de paaitijd

Tijdens de paaitijd kunnen paaiende beekprikken op zicht worden waargenomen. Let daarbij goed op de bodem van ondiepe, grindrijke beektrajecten. Beekprikken maken een ‘schone’ paaikuil die vaak lichter afsteekt tegen de omliggende bodem. Aan de stroomopwaartse zijde van de paaikuil zuigen de dieren zich vast aan grind en stenen. Tijdens de paai kronkelen de prikken om elkaar heen. Voor de paai en tijdens rustmomenten lijken ze op dunne ‘sliertjes’ die met de stroming mee bewegen. Goed kijken is daarom belangrijk.

Te leveren inspanning per km-hok

Voor het monitoren van beekprikken is het belangrijk om in het voorjaar actief te zoeken naar paaiende dieren. Om paaiende beek- of rivierprikken betrouwbaar op zicht waar te nemen, zijn minimaal vijf telronden nodig vanaf het begin van de paai. De activiteit van paaiende prikken verschilt namelijk per dag, het paaiseizoen duurt slechts enkele weken en het moment waarop de paai begint varieert per jaar. Daarom zijn voorafgaand aan de paai meerdere bezoeken nodig om het begin van de paaiperiode vast te stellen.

Alle bekende paaiplaatsen worden tijdens de inventarisatie onderzocht. Zijn deze nog niet bekend, dan wordt het volledige beektraject binnen het kilometerhok afgezocht.

Larven kunnen gedurende het hele jaar met een schepnet worden gevangen. Bij schepnetonderzoek worden per jaar minimaal twee onderzoeksronden uitgevoerd, met een totale inspanning van ten minste 120 minuten (2 × 60 minuten).

Aantal personen

De bovenstaande richtlijn gaat uit van één tot twee waarnemers bij schepnetonderzoek. Wanneer er met meer personen wordt gevist, kan de benodigde vistijd evenredig worden verkort.

Periode

Zichtwaarnemingen van paaiende beekprikken: februari tot en met mei.

Larven scheppen: het hele jaar.

Materiaal

Groot schepnet (model RAVON) met een gestrekte maaswijdte van 3 mm, waadpak of lieslaarzen en – voor zichtwaarnemingen van paaiende beekprikken – een polariserende zonnebril.