Zoek
woensdag 8 februari 2012  Tellen » Verspreidings onderzoek » Methode Registreren  Inloggen

 Methode

Inventarisatiemethodiek amfibieën

Onderzoek naar het voorkomen van amfibieën wordt bij voorkeur over de gehele activiteitsperiode verdeeld. Door de activiteitsperiode over minimaal 3 onderzoeksperioden te verdelen, kan inzicht gekregen worden in het voorkomen van amfibieën in een gebied. Wanneer gericht onderzoek naar een specifieke soort plaatsvindt, wordt onderzoek in de meest gunstige periode gepland. Wanneer een algemene inventarisatie gewenst is, wordt de eerste onderzoeksronde in maart uitgevoerd. In deze periode zijn de zogenaamde “vroegactieve” soorten als gewone pad en bruine kikker veelal in het water aan te treffen. De laatste onderzoeksperiode kan rond juli worden uitgevoerd en is vooral gericht op de “laatactieve” soorten als de groene kikker.
Onderzoek naar amfibieën is voornamelijk afhankelijk van het doel van het onderzoek, het beoogde resultaat en het onderzoeksgebied. Natuurlijk kunnen ook de weersomstandigheden gedurende het onderzoek bepalend zijn voor de te hanteren onderzoeksmethodiek.

Hieronder is een overzicht gegeven van te hanteren inventarisatiemethoden voor amfibieën:
 

  • luisteren naar voortplantingsroep van amfibieën
     
  • Kijken naar de aanwezigheid van eiafzet
     
  • Bemonsteren van het water op de aanwezigheid van larven/adulten
     

Bemonstering van wateren kan afhankelijk van de soort uitgevoerd worden met een schepnet (steeknet) of met behulp van fuiken. Omdat de watervegetatie beschadigd kan worden bij bemonstering met een schepnet, wordt aanbevolen voorafgaand aan de bemonstering de oever af te lopen en te zoeken naar eiafzet en/of amfibieën.

Naast inventarisatiemethoden die gericht zijn op onderzoek naar de aanwezigheid van amfibieën in de voortplantingsbiotoop, kunnen enkele soorten ook buiten het voortplantingsseizoen geïnventariseerd worden.

Download hier de handleiding voor het monitoren van Amfibieen in Nederland

 


Inventarisatiemethodiek reptielen

 

Reptielen kunnen al vroeg in het voorjaar aangetroffen worden. Bij gunstige weersomstandigheden kunnen al in februari de eerste reptielen (adder en levendbarende hagedis) waargenomen worden. Bij onderzoek naar het voorkomen van reptielen is enige biotoop- en soortkennis vereist. De meeste reptielensoorten houden zich met name in overgangssituaties tussen verschillende biotopen op.
Reptielen kunnen het best geïnventariseerd worden door rustig plekken met een variërende vegetatie of wisselende hoogtegradiënt af te lopen. Ook kan met op basis van geluid het voorkomen van reptielen onderzoeken. Vooral hagedissen maken een ritselend geluid wanneer ze door de vegetatie vluchten. Naast geluid kan voor enkele soorten ook gebruik gemaakt worden van hulpmaterialen. Soorten als de hazelworm, maar ook de gladde slang zoeken gedurende de dag vaak een beschut plekje op. Indien er in het gebied weinig plekken zijn waar de dieren kunnen schuilen, kan het uitleggen van plaatjes of dakpannen een zeer positief resultaat hebben op een inventarisatieonderzoek.

Download hier de handleiding voor het monitoren van Reptielen in Nederland


Waarnemingen doorgeven

De waarnemingen kunnen op verschillende manieren doorgegeven worden.

TELMEE is een online invoermodule, ontwikkeld door de PGO's. Hierop kunnen alle gegevens van Flora en Fauna worden doorgegeven. De gegevens zijn voor de waarnemer vrij opvraagbaar en kunnen op binnenkort ook op kaart worden weergegeven. Klik hier om naar www.telmee.nl te gaan.

SPOT
Spot is een computerprogramma dat speciaal ontwikkeld is voor het vastleggen en doorgeven van natuurwaarnemingen. Alle te noteren gegevens zijn er in aangegeven. Soortcodes en dergelijke worden automatisch vermeld. Heel belangrijke voordelen zijn dat de gebruiker van het programma de waarnemingen kan invoeren en naar RAVON kan mailen. De gegevens zijn dan direct digitaal beschikbaar en na controle te koppelen aan de databank. Het SPOT programma is gratis te downloaden via deze link. Hier is ook meer informatie over dit programma te vinden.

Waarnemingskaartjes: Waarnemingskaartjes zijn kaartjes waarop alle gevraagd gegevens zijn voorgedrukt. Ze zijn vooral bruikbaar voor incidentele of niet al te grote hoeveelheden waarnemingen. De kaartjes zijn te verkrijgen via het kantoor in Nijmegen

 

Verzamelen van waarnemingen van amfibieën en reptielen

Probeer bij het doen van waarnemingen altijd zo min mogelijk te verstoren en te beschadigen. Het uiteindelijke doel van het verzamelen van de gegevens is om de natuur te beschermen en niet om deze te vernielen!

Drie manieren van waarnemingen doen
Er zijn drie manieren om waarnemingen te verzamelen. Alle drie zijn ze waardevol voor het verkrijgen van gegevens over het voorkomen van amfibieën en reptielen.

Incidentele waarnemingen
Als oplettende wandelaar zie je misschien wel eens een hagedis zonnen, hoor je een kikker kwaken, zie je een pad op de weg zitten of vind je een salamander onder een stuk hout. Misschien dat je regelmatig op verschillende plekken wandelt. Dan kan het zijn dat je ook op plekken komt, waar nog nooit iemand gezocht heeft naar reptielen en amfibieën. Door deze waarnemingen te noteren en te melden, kun je een bijdrage leveren aan gegevens over de verspreiding van soorten.

Inventarisatie
Een gebied kan één keer -of beter nog meerdere keren- in de periode dat amfibieën of reptielen actief zijn, onderzocht worden. Hierdoor worden gegevens verzameld over wélke soorten er in dat gebied voorkomen en of deze veel of weinig voorkomen. Met deze gegevens kan bepaald worden of dat gebied belangrijk is voor amfibieën of reptielen. Ook lever je met deze gegevens een bijdrage aan de kennis over de verspreiding van soorten. De informatie kan ook gebruikt worden voor adviezen over het amfibie- en reptielvriendelijker beheren van een gebied.

Monitoren
Dit is het op een gestandaardiseerde wijze, gedurende meerdere jaren, een populatie amfibieën of reptielen onderzoeken. Je verkrijgt daardoor informatie of het met de populatie goed of slecht gaat. Dat kan ook informatie geven over de effecten van het gevoerde beheer of natuurlijke ontwikkelingen in het gebied. Met de informatie van meerdere monitoringroutes kunnen landelijke trends berekend worden. Hierdoor is het mogelijk om aan te geven welke soorten meer bescherming nodig hebben. Meer informatie over monitoren is te verkrijgen via het hoofdmenu 'Monitoring'.

Hulpmiddelen voor het verzamelen van gegevens
In de soortteksten op deze site, waar o.a. de verspreiding van de soorten besproken wordt, worden ook tips gegeven hoe je die verschillende soorten het best kunt waarnemen. Behalve die kennis, zijn enkele hulpmiddelen handig om (meer) waarnemingen te kunnen doen en die op de juiste manier te noteren.

Ontheffingen van de Flora- en faunawet en betredingsvergunningen

Alle inheemse amfibieën en reptielen zijn beschermd in de Flora- en faunawet. Je mag ze niet vangen of verstoren! Om dit toch te mogen doen, heb je een zogenaamde ontheffing van de Flora- en faunawet nodig. Het landelijke bureau van RAVON verzorgt voor zijn donateurs het aanvragen van deze ontheffing (voor het adres kijk onder 'Contact').
Voor veel gebieden geldt dat ze toegankelijk zijn voor zover je op de aangegeven wegen en paden blijft. Om een heideterrein, een grasland, een sloot of een ander water te onderzoeken, moet je het terrein ín kunnen gaan. Hiervoor heb je toestemming nodig van de eigenaar. Deze toestemming moet je zelf regelen bij de terreineigenaar (bijvoorbeeld Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten of een provinciaal Landschap). De terreinbeherende organisaties verwachten in de regel, dat ze als tegenprestatie de beschikking krijgen over verzamelde gegevens. Ook als het terrein eigendom van een ander -bijvoorbeeld een gemeente of particulier- moet je zelf toestemming vragen om het gebied te mogen betreden. Als je uitlegt wat je doel is, hoe je dat gaat doen en afspreekt dat de eigenaar de resultaten te horen krijgt, gaan de meeste eigenaren wel akkoord.

Schepnet
Voor alle amfibieënsoorten geldt dat je ze het gemakkelijks kunt vinden in de voortplantingsperiode. De dieren verblijven dan in of bij het water. Met uitzondering van de groene kikkers verspreiden de andere soorten zich buiten deze periode over het land in de omgeving van het voortplantingswater. Ze zijn dan veel moeilijker op te sporen. Om volwassen amfibieën en larven in het water te kunnen vangen is een schepnet nodig. Een net van circa 50 bij 40 centimeter en een maaswijdte van 2 à 3 millimeter voldoet het best. Die kleine maaswijdte is nodig omdat larven anders door de mazen van het net glippen. Hanteer een schepnet altijd met voorzichtigheid en respect voor de flora en fauna! Schepnetten zijn bij RAVON te bestellen. Klik hier voor meer informatie over schepnetten.

Zaklamp
Amfibieën zijn vooral avonds actief. Als het donker is zijn ze daarom goed op te sporen met behulp van een flinke zaklamp. Dit als voordelen dat er veel minder beschadiging aan de waterplanten plaatsvindt en het is veel minder inspannend. Uiteraard moet het water wel helder genoeg zijn en niet compleet afgedekt met een laag eendenkroos of andere drijvende waterplanten. Klik hier voor meer informatie over zaklampen.

 

Emmer, fotobak of cuvette
Een ruime witte emmer of fotobak zijn erg handig om de vangsten in te kunnen bekijken. Door de inhoud van het schepnet om te keren in een witte emmer of fotobak met daarin een laagje water, zijn kleine larven beter te zien. Vermijdt het vastpakken van amfibieën met droge handen. De dieren hebben een erg dunne huid die gemakkelijk beschadigt. Een cuvette is een smalle bak van glas of plexiglas. Salamanders, of larven van salamanders, kikkers en padden kunnen hierin goed bekeken én gefotografeerd worden.

Veldgids en loep
Bij de meeste volwassen amfibieën en reptielen is het meestal niet zo moeilijk om te bepalen welke soort je gevonden hebt. Er zijn uitzonderingen. De groene kikkers zijn niet gemakkelijk tot op de juiste soort te determineren, en de heikikker en de bruine kikker kunnen ook aardig op elkaar lijken. De larven van deze kikkers zijn moeilijk te onderscheiden. De determinatie wordt gedaan aan de hand van de vorm van de liptandjes. Om die te kunnen bekijken is een loep nodig.
Bij het determineren van soorten is een hulpmiddel in de vorm van een veldgids nodig. Een goed en betaalbaar boekje is: Herkenning amfibieën en reptielen (zie 'Winkel'). Een meer luxe veldgids is de Amfibieëngids van Europa (Uitgeverij: Tirion).

Topografische kaarten, overlegfolio en GPS
Om de verzamelde gegevens bruikbaar te maken voor de databank en daarmee voor de bescherming van soorten, is het o.a. belangrijk om de vindplaats zo nauwkeurig mogelijk te noteren in coördinaten. Deze kunnen bepaald worden met behulp van een topografische kaart met een schaal van 1: 25.000 (1 cm op de kaart is in werkelijkheid 250 meter). Deze kaarten zijn los te koop of in boekvorm. Een alternatief is de Topografische Inventarisatie Atlas voor flora en fauna van Nederland (verkrijgbaar via RAVON). De schaal van de atlas is 1: 69.000 (1 cm op de kaart is in werkelijkheid 690 meter). Op deze kaarten zijn middels een raster hokken aangegeven van 1 bij 1 kilometer. De lijnen van dit raster zijn de Amersfoortcoördinaten. De verticale lijnen geven de X-coördinaten en de horizontale lijnen de Y-coördinaten. Wanneer je op de kaart bepaald hebt waar je de waarneming hebt gedaan, bepaal je de coördinaten van het betreffende kilometerhok door de cijfers van het snijpunt in de linkerbenedenhoek te noteren. Om de vindplaats nog nauwkeuriger te noteren, heb je een overlegfolio nodig. Hierop staat een raster van lijnen met horizontaal en verticaal cijfers van 0 tot 9. Door dit op het kilometerhok in de topografische kaart te leggen, het hokje te bepalen waar de waarneming is gedaan en dan de cijfers van de lijnen op het overlegfolio te noteren achter de X- respectievelijk de Y-coördinaten van het kilometerhok, heb je vindplaats tot op 100 meter (ha) nauwkeurig vastgelegd. Het klinkt moeilijker dan het in werkelijkheid is.

Voorbeeld: Er wordt een poelkikker gevonden nabij De Geelders bij Sint-Oedenrode. De locatie is aangegeven met een X op een denkbeeldige kaart. Op het kilometerhok is een overlegfolio gelegd. De coördinaten in het snijpunt in de linkerbenedenhoek van het kilometerhok zijn: 154 (X- coördinaat) en 399 (Y- coördinaat). 154 – 399 is dus het kilometerhok. Op de overlegfolio ligt X in de rijen 5 en 6. De aan te geven coördinaten zijn: 154.5 – 399. 6.

rasterkopie.jpg

Notitieboekje
Om in het veld gegevens te noteren is een klein notitieboekje met potlood het meest handig in gebruik. Een potlood schrijft onder alle weersomstandigheden en als het boekje onverhoopt een keer nat wordt, blijft alles leesbaar.

Welke gegevens moeten er genoteerd worden
Om de waarnemingen bruikbaar te maken moeten er een aantal gegevens genoteerd worden.

Datum: de dag, maand en jaar dat de waarneming gedaan werd.

Naam en adres: We willen ook graag weten wie de waarneming gedaan heeft. Geef je regelmatig waarnemingen door dan krijg je een “waarnemersnummer”.

Gebiedsnaam: De naam van het gebied waar de waarneming is gedaan.

Gemeente: De naam van de gemeente waaronder het gebied valt. Zijn gemeenten bestuurlijk gevoegd, kun je toch gewoon het betreffende dorp of stad aangeven.

Biotooptype: Dit is het soort biotoop waar de waarneming is gedaan. Voorbeelden zijn: droge heide, loofbos, stadspark, afvoersloot, kanaal, vijver, ven, natte heide, hoogveen enz. In het online invoerprogramma Telmee.nl, het computerprogramma SPOT en de waarnemingskaartjes zijn gestandaardiseerde biotooptypen aangegeven.

Omschrijving vindplaats: Het is altijd waardevol een nauwkeurigere beschrijving van de vindplaats te geven. 

Coördinaten: Door het aangeven van de Amersfoortcoördinaten kan altijd nagegaan worden waar de waarneming precies gedaan is. Hoe nauwkeuriger hoe beter (zie voor uitleg: Hulpmiddelen voor het verzamelen van gegevens).

Soortnaam: Geef aan welke soort het betreft. Bij twijfel is het altijd beter dit te vermelden. Een voorbeeld hiervan is het vrouwtje van de kleine watersalamander of de vinpootsalamander. Deze zijn nauwelijks te onderscheiden. Geef dan aan: kleine water/vinpoot vrouwtje.

Aantal: Vermeld hier het aantal en: man, vrouw, onbepaald, juveniel, larve, ei, eisnoer of eiklomp.

Type waarneming: Dit is de wijze waarop je de warneming gedaan hebt: gevangen of gevonden (levend of dood), verkeersslachtoffer, gezien, gehoord of een vervellinghuid gevonden.

  

© PlumIT