
Beschrijving
De Kesslers grondel (Neogobius kessleri) komt van nature niet verder dan ongeveer 300 km. landinwaarts (gezien vanaf de Zwarte Zee in Roemenië) in de Donau voor. Vanaf 1990 werd de soort verder stroomopwaarts waargenomen. In 1999 is hij voor het eerst gezien in het Duitse gedeelte van de Donau. In 2005 was hij in de Duitse Rijn. En in 2007 werd hij in de Waal in Nederland gesignaleerd.
De
Kesslers grondel wordt inmiddels (in Nederland) in alle grote rivieren aangetroffen. Het zwaartepunt van de verspreiding ligt in de Waal en het benedenrivierengebied. Ook is hij in de Kromme Rijn gezien. En in de Maas is hij inmiddels van één locatie bekend. In de grote rivieren komt de Kesslers grondel in hoge dichtheden op stortstenen voor.
Uiterlijk
De Kesslers grondel bereikt een maximale lengte van circa 22 cm voor mannetjes en 18 cm voor vrouwtjes. De borstvinnen zijn vergroeid tot een zuignap. De kop is duidelijk breder dan hoog. Hij heeft twee rugvinnen. De voorste rugvin bezit vijf tot zeven harde vinstralen en de achterste rugvin 16-19 zachte vinstralen.
De soort is bruin van kleur. Hij heeft een donkerbruine bandering op het lichaam. Het lichaam is verder gemarmerd. De kop en lippen hebben een netachtig vlekkenpatroon. De buik is overwegend wit. Voor de anaalvin zit een grijsbruine driehoekige vlek. Alle vinnen vertonen een bruin bandenpatroon. Mannetjes kleuren tijdens de paaitijd donker, maar niet zwart.
De eieren worden afgezet op de onderzijde van stenen of andere harde oppervlakten, zoals lege schelpen. Inheemse populaties zetten eenmalig eieren af. Invasieve populaties leggen meerdere keren per seizoen. Het nest wordt bewaakt door het mannetje.
De Kesslers grondel predeert op andere vissoorten en kannibaliseert op soortgenoten. Hij eet ook macrofauna.
Bescherming
De Kesslers grondel is een exoot in Nederland. Hij geniet geen bescherming.