Langs de zuidrand van het plateau van Schimmert komt de vroedmeesterpad het meest noordelijk voor. Dit is de noordelijke Geuldalhelling, een gebied met hellingbossen en een overwegend zuidelijke expositie. Verder strekt de verspreiding zich oostwaarts uit tot de zuidelijke rand van het plateau van Ubachsberg. In het dal van de Worm sluit de verspreiding aan op die op Duits grondgebied. De zuidelijke Geuldalhelling vanaf Rothem tot Valkenburg herbergt over enkele kilometers een aaneengesloten populatie. Verder zuidwaarts komt de soort voor rond Bemelen en Cadier en Keer. Langs het Savelsbos wordt de soort niet meer gevonden. Pas weer in het dal van de Noor sluit de verspreiding aan op het voorkomen in de Belgische Voerstreek. Meer oostwaarts komt de vroedmeesterpad voor op de ´hoogvlakte´ tussen de riviertjes de Gulp en de Geul. Als meest zuidoostelijke punt in de verspreiding geldt het gebied ten zuiden van Vijlen, in het dorpje Holset.
Ten opzichte van de vorige periode zijn weinig kilometerhokken verlaten, maar de aantallen binnen populaties dalen wel verder. Herstel van de landhabitat heeft op veel plekken de hoogste prioriteit om de soort voor uitsterven te behoeden (Crombaghs et al. 2002).
Lenders (1992) meldt als meest noordelijke voorkomen het gehucht Windraak, vlakbij de oude vindplaatsen van voor 1915. Samen met de populatie rond Helle (Nuth) wordt Windraak echter beschouwd als een uitgezette populatie. Ook van Maastricht is bekend dat er uitzettingen hebben plaatsgevonden. Het voorkomen is er op tenminste drie plekken bekend, de binnentuin van het Natuurhistorisch Museum (dieren afkomstig uit Frankrijk), de tuin van het vroegere Centrum voor Natuur- en Milieueducatie (dieren afkomstig uit groeve ´t Rooth) (Lenders 1992) en tenslotte de Hoge Fronten (dieren afkomstig uit groeve ten oosten van Maastricht) (Jansse 2006).
De uitgezette vroedmeesterpadden in Utrecht breiden zich duidelijk uit, al dan niet geholpen door mensen. Ze worden nu ook rond Zeist, Nieuwegein en elders op de Utrechtse heuvelrug en in het Gooi waargenomen. Ook zijn er meldingen uit Culemborg, Den Haag, Haarlem, Amsterdam (met name Artis; dieren afkomstig uit Frankrijk) en Pieterburen. (Bijlsma 1996, Groenveld 2002).
Zie ook de eerdere periode: 1971 t/m 1995