In grote lijnen worden de contouren van de verspreiding al in deze tijdsperiode duidelijk. Waarnemingen zijn vooral afkomstig uit de duinen, de Noordhollandse polders en het rivierengebied. Voor het overige is het verspreidingsbeeld nog gefragmenteerd. Uit archeologisch onderzoek is gebleken dat de soort tot in de middeleeuwen op het vasteland van het waddengebied voorkwam, maar daar is verdwenen (Prummel & Heinrich 2005).
Van Groningen is de soort alleen bekend van het eiland Rottum in de 19e eeuw (van Bemmelen 1862, van Laar 2006). Tussen 1862 en 1908 is de soort er uitgestorven. Op Rottumeroog zijn in 1935 zo’n 15 rugstreeppadden uitgezet vanuit Schiermonnikoog (van Laar 2006).
De Friese waarnemingen zijn voornamelijk afkomstig van de Waddeneilanden. Zowel in Drenthe als in Overijssel en de Achterhoek (Gelderland) is het verspreidingsbeeld sterk gefragmenteerd. Vindplaatsen in deze regio’s zijn vaak natuurlijke voedselarme wateren (vennen) of zandwinningen. Op de Veluwe, in het rivierengebied, in het noorden van Utrecht en in Noord-Holland (o.a. in het Gooi en net ten noorden van het Noordzee-kanaal) zijn in veel uurhokken in aaneengesloten gebieden al rugstreeppadden vastgesteld. Uit vrijwel alle uurhokken in de vastelandsduinen zijn rugstreeppadden bekend.
Er zijn ook meldingen uit de polders van grote delen van Zeeland, inclusief Tholen en Zeeuws-Vlaanderen (van de Bund 1961). In Noord-Brabant is het verspreidingsbeeld gefragmenteerd en komt de rugstreeppad vooral voor in vennen. In Limburg wordt de soort gemeld uit grote delen van het grensgebeid met Noord-Brabant (de Peelregio), de oostelijke Maasoever, de Meinweg en de oostelijke Mijnstreek. Er zijn vrijwel geen waarnemingen uit het heuvelland. De uiterwaarden van de Maas zijn niet of nauwelijks
Zie ook de volgende periode: 1971-1990