De rugstreeppad heeft een voorkeur voor duinen en ruderale terreinen. Dit zijn zandige gebieden met een natuurlijk of antropogeen pionierkarakter. Verder wordt de soort in een breed scala aan landschapstypen aangetroffen. Hoogveen wordt grotendeels gemeden.
Aquatisch habitat
Rugstreeppadden planten zich voort in ondiep, onbeschaduwd water. De maximale diepte die in de literatuur vermeld wordt is 30-50 centimeter (Beebee 1983). Veel van de voortplantingswateren zijn tijdelijk en drogen in de loop van het seizoen op. Maar er worden ook wel eieren afgezet in brede, ondiepe oeverzones van permanente wateren (Frigge 1992, Creemers 1994). Vaak ontbreekt begroeiing op de voortplantingsplaatsen, maar de eieren worden ook wel gelegd boven op dichte vegetatie, zoals op ondergelopen graslanden (Arntzen 1981).
Landhabitat
De habitat van de rugstreeppad laat zich karakteriseren als onbeschaduwde, laag- tot volledig onbegroeide, vaak min of meer geaccidenteerde terreinen met daarin plekken waar een extreem microklimaat heerst, zowel wat temperatuur als vochtigheid betreft, en ondiepe wateren die snel kunnen opwarmen. Belangrijk is voldoende schuilgelegenheid om zich overdag en in de winter te kunnen verschuilen. Rugstreeppadden komen vaak voor in pionierssituaties. Toch kunnen ze jaren achtereen op dezelfde plaats in bijvoorbeeld de duinen, heiden, uiterwaarden of groeven worden aangetroffen, mits deze plekken hun pionierkarakter behouden. Niet enkel een hoge dynamiek maar ook een voedselarme bodem zoals op de heide kunnen voor langdurige pionierachtige situaties zorgen. In uiterwaarden ontstaan na hoogwaters ook tijdelijke wateren in graslanden die geschikt zijn voor deze soort.Rugstreeppadden overwinteren op het land. Ze kruipen diep weg (60-120 centimeter in Tsjecho-Slowakije, Kowalewski 1974 in Arntzen 1981) en kunnen gemakkelijk verdrinken bij overstroming van hun schuilplaats (Bosman et al. 1997).