Zoek
donderdag 9 september 2010  Soorten » Levende atlas » Ringslang » Habitat Registreren  Inloggen

 Habitat ringslang

ringslang habitat.jpgDe ringslang is gebonden aan waterrijke habitats. Deze liggen veelal op zandgronden en de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Grote oppervlaktes laag gelegen, nat gebied worden gemeden, omdat de soort daar vaak niet alle stadia van zijn levenscyclus kan doorlopen. Met name de ontwikkeling van de eieren en de overwintering vormen in polders een probleem (van der Lugt & Siebelink 2003).

De ringslang is het enige reptiel is met een aanzienlijke presentie in het laagveen. Andere landschapstypen waarin relatief veel waarnemingen worden verricht zijn bos en struweel en op infrastructuur (wegen en spoorwegen). Meer dan andere reptielen komt de soort ook voor in een bebouwde omgeving en in het agrarisch gebied. Heide en hoogveen maken onderdeel uit van het leefgebied, maar zijn geen voorkeurshabitat.

De meeste waarnemingen worden verricht langs en op waterkerende dijken en spoordijken en op de oevers van sloten, beken, meren, vennen, vijvers en poelen of in de directe omgeving hiervan. Incidenteel worden exemplaren waargenomen in droge bossen of op droge heiden op ruimere afstand van water. Leefgebieden van ringslangen vertonen vaak veel ruimtelijke variatie en kleinschaligheid. Voldoende eiafzetmogelijkheden en een ruim aanbod aan wateren (Zuiderwijk et al. 1998) in de nabijheid van hogere gronden zijn belangrijke randvoorwaarden.

Ringslangen gebruiken warme, vochtige plekken om hun eieren af te zetten. In een natuurlijke situatie zijn dit resten van aangespoeld materiaal in uiterwaarden, rottende boomresten of composterende bladhopen, muizenholen, onder mosplakkaten, onder en tussen stenen, en in rottende boomstronken. In cultuurlandschappen wordt intensief gebruik gemaakt van door de mens aangelegde mest-, blad-, zaagsel-, houtsnipper- en composthopen. Het aanleggen van broeihopen is inmiddels een beproefd recept gebleken. De ringslang profiteert van een hoge dichtheid aan eiafzetplekken (van den Bogert 1992, 2002, Hofstra 2001, Luiselli 1996, Nöllert et al. 1989, Zuiderwijk et al. 1991, 1993).

Overwintering vindt plaats op droge en vorstvrije plekken.  In zeer natte gebieden zoals laagveen en uiterwaarden zijn de schaarse hoge en droge structuren van groot belang.

ringslang habitat.jpgDe ringslang is gebonden aan waterrijke habitats. Deze liggen veelal op zandgronden en de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Grote oppervlaktes laag gelegen, nat gebied worden gemeden, omdat de soort daar vaak niet alle stadia van zijn levenscyclus kan doorlopen. Met name de ontwikkeling van de eieren en de overwintering vormen in polders een probleem (van der Lugt & Siebelink 2003).

De ringslang is het enige reptiel is met een aanzienlijke presentie in het laagveen. Andere landschapstypen waarin relatief veel waarnemingen worden verricht zijn bos en struweel en op infrastructuur (wegen en spoorwegen). Meer dan andere reptielen komt de soort ook voor in een bebouwde omgeving en in het agrarisch gebied. Heide en hoogveen maken onderdeel uit van het leefgebied, maar zijn geen voorkeurshabitat.

De meeste waarnemingen worden verricht langs en op waterkerende dijken en spoordijken en op de oevers van sloten, beken, meren, vennen, vijvers en poelen of in de directe omgeving hiervan. Incidenteel worden exemplaren waargenomen in droge bossen of op droge heiden op ruimere afstand van water. Leefgebieden van ringslangen vertonen vaak veel ruimtelijke variatie en kleinschaligheid. Voldoende eiafzetmogelijkheden en een ruim aanbod aan wateren (Zuiderwijk et al. 1998) in de nabijheid van hogere gronden zijn belangrijke randvoorwaarden.

Ringslangen gebruiken warme, vochtige plekken om hun eieren af te zetten. In een natuurlijke situatie zijn dit resten van aangespoeld materiaal in uiterwaarden, rottende boomresten of composterende bladhopen, muizenholen, onder mosplakkaten, onder en tussen stenen, en in rottende boomstronken. In cultuurlandschappen wordt intensief gebruik gemaakt van door de mens aangelegde mest-, blad-, zaagsel-, houtsnipper- en composthopen. Het aanleggen van broeihopen is inmiddels een beproefd recept gebleken. De ringslang profiteert van een hoge dichtheid aan eiafzetplekken (van den Bogert 1992, 2002, Hofstra 2001, Luiselli 1996, Nöllert et al. 1989, Zuiderwijk et al. 1991, 1993).

Overwintering vindt plaats op droge en vorstvrije plekken.  In zeer natte gebieden zoals laagveen en uiterwaarden zijn de schaarse hoge en droge structuren van groot belang.


Copyright 2008 RAVON