Het landschap waarin de kamsalamander wordt aangetroffen is bosrijk, bevat houtwallen of struweel en wordt vaak gekenmerkt door kleinschaligheid in de directe omgeving van het voortplantingswater (Denton 1990b, Swan & Oldham 1993). Kamsalamanders komen zelden in akkerbouwgebieden voor. Ze komen relatief veel voor langs de grote rivieren, in beekdalen en op landgoederen (Creemers 1991, Lenders 1992, Swan & Oldham 1993).
Aquatisch habitat
Kamsalamanders komen voor in een verscheidenheid aan typen wateren. Op de zandgronden en in beekdalen komt de soort voor in poelen, vijvers, matig voedselrijke (mesotrofe) vennen en in leemputten. In het rivierengebied komt de soort voor in laagdynamische strangen, kleiputten en kolken. De kamsalamander heeft een voorkeur voor relatief grote, diepe en stilstaande wateren. Die wateren zijn tenminste gedeeltelijk begroeid met waterplanten, niet verontreinigd en bevatten gewoonlijk geen vis
Land habitat
De kamsalamander is goed vertegenwoordigd in de overgangen van agrarisch gebied (en halfnatuurlijk grasland) naar bos. Dit betreft veelal het kleinschalige cultuurlandschap in delen van Oost- en Zuid-Nederland. De soort mijdt stedelijk gebied en komt op de heide (mogelijk te voedselarm) minder vaak voor. De kamsalamander overwintert meestal op land. Uit een studie met van zendertjes voorziene volwassen kamsalamanders is gebleken dat de meeste dieren in de directe omgeving van het voortplantingswater bleven en geen dier verwijderde zich verder dan 100 meter van de oever. Plekken met bosjes, hagen en bomen hebben de voorkeur boven weiland en ander open terrein (Jehle 2000, Jehle & Arntzen 2000, Malmgren 2001, Stoefer & Schneeweiss 2001). ). In situaties waar geschikt landhabitat niet in de directe omgeving van het water ligt, kunnen de dieren wel zo'n 1000 meter afleggen tussen water- en landhabitat (Stoefer 1997). Ook is overwintering van kamsalamanders in het water bekend (Feldmann 1981, Hagström 1982, Steward 1966) en onder het ijs (Smith 1954).