Hoewel het aantal waarnemingen fors is toegenomen, zijn de twee kerngebieden ten opzichte van de vorige periode duidelijk in omvang afgenomen. Vooral de achteruitgang op de Utrechtse Heuvelrug en in de Gelderse Vallei is opvallend. De adder is na 1974 niet meer waargenomen in de provincie Utrecht. Uit de Gelderse Vallei verdwijnt de soort al enkele jaren eerder. Ook verdwijnt de soort definitief ten oosten van de Veluwe uit de landgoederenzone rond Brummen (Leusveld en Voorstonden), waar de soort eerder gemeld werd uit eikenhakhoutpercelen (Cuppen & Heinen 1984). In de noordelijke verspreidingskern is in Groningen het aantal vindplaatsen sterk teruggelopen. Uit het noorden en het uiterste westen (Gaasterland) van Friesland zijn geen adders meer gemeld. Het verspreidingsbeeld in Drenthe is op uurhokniveau nagenoeg gelijk gebleven. Alleen de verspreiding aan de meest oostelijke rand is afgenomen.
In Noord-Brabant zijn geen waarnemingen meer bekend van adders, de populaties tussen Breda en België zijn uitgestorven. De laatste waarneming uit dit gebied dateert uit 1967. In Overijssel is de adder teruggedrongen tot enkele gebieden. In Limburg beperken de waarnemingen zich tot één gebied.
Zie ook de volgende periode: 1996-2007