
Beschrijving
Mannetjes van de vinpootsalamander (Lissotriton helveticus (synoniem: Triturus helveticus)) hebben zwarte zwemvliezen aan hun achterpoten. Zo komt het beestje aan zijn naam. De mannetjes bezitten ook een draad aan de punt van hun staart en lijsten op de overgang van de rug naar de flanken.
Vrouwtjes zijn moeilijk te onderscheiden van de kleine watersalamander. Zij zijn donker op de rugzijde (lichtbruin tot olijfkleurig) en lichter op de flanken. Ook hebben ze donkere vlekken en een lichte buik met op het midden een oranje tot gele streep. Het zijn kleine salamanders, die een maximale lengte van 9 cm bereiken. In de landfase zijn ze donkerder van kleur met weinig tekening. De larven zijn zeer moeilijk te onderscheiden van de larven van de kleine watersalamander.
Verspreiding en levenswijze
De vinpootsalamander is te vinden in Noord-Brabant en Limburg. Hij komt vooral voor op zandgrond in bosgebieden. Aan de samenstelling van het bos worden weinig eisen gesteld. In Noord-Brabant en het noordelijke deel van Limburg is de soort te vinden in de grotere bos- en heidegebieden. Daar planten ze zich voort in heidevennen, bosvijvers en poelen. Ze vertonen hierbij een vrij grote tolerantie voor zuur water (tot pH 4).
In het Zuid-Limburgse heuvelland komt de vinpootsalamander vooral voor in en rond hellingbossen. Daar maakt hij van allerlei typen water gebruik voor de voortplanting. Zelfs in karrensporen en langzaam stromende beekjes worden eieren afzet. Paringen vinden plaats in de maanden maart tot en met juni. Volwassen dieren zijn vaak al ruim voor die tijd in het voortplantingswater aanwezig. Een groot deel van de populatie overwintert zelfs in het water.
Bescherming
De soort is zeldzaam en gaat achteruit. Hij heeft op de Rode lijst de status “kwetsbaar” (Staatscourant 2009 cf. van Delft et al., 2007). Net als alle amfibieën is de soort wel beschermd volgens de Flora en Faunawet (tabel 3). De vinpootsalamander is ook opgenomen als beschermde soort in bijlage 3 van de conventie van Bern.
Methode van monitoring
De grootste kans om de dieren te vinden is van half maart tot eind april. Vanaf begin juni tot in augustus kunnen de larven in het water worden gevonden. Het onderscheid met de larven van de kleine watersalamander is zeer moeilijk. Hierdoor kan het inventariseren aan de hand van larven alleen worden toegepast wanneer de kleine watersalamander ontbreekt. Bij vinpootsalamanders komt het regelmatig voor dat larven in het water overwinteren.
- avondtellingen van volwassen dieren in het voortplantingswater (maart t/m mei)
- bemonsteren met schepnet