
Beschrijving
De meerkikker (Rana ridibunda) (of grote groene kikker) is de grootste van de drie groene kikkers. Hij is vaak maar gedeeltelijk groen op de rug (met donkere vlekken). En hij heeft een witte, altijd zwart of grijsgevlekte buik. Hij kan tot maximaal 15 cm groot worden. En hij heeft relatief lange achterpoten. De ogen staan dicht bij elkaar bovenop de kop. Het belangrijkste kenmerk is de vorm (asymmetrisch en laag) en grootte (klein 25 a 40% van lengte teen) van de graafknobbel. Mannetjes hebben donkergrijze kwaakblazen.
Verspreiding en leefwijze
Meerkikkers komen voornamelijk voor in het westen en noorden van Nederland. Het is een zon- en warmteminnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid zijn. En het water is vaak vrij omvangrijk of maakt deel uit van een groter complex van wateren. De meerkikker prefereert rijk begroeide laaglandwateren met een neutrale of zwak-basische pH in een waterrijke omgeving, zoals bijvoorbeeld polders en rivierdalen.
Bescherming
De meerkikker heeft de status 'thans niet bedreigd' (Staatscourant,2009 cf.van Delft et al., 2007) op de Rode Lijst. De meerkikker is opgenomen in tabel 1 van de Flora- en faunawet en behoort daarmee tot de algemeen voorkomende soorten. De meerkikker is ook opgenomen als beschermde soort in bijlage 3 van de conventie van Bern.
Methode van monitoren
Pas in eind april, begin mei verzamelen de mannetjes van de meerkikker zich in het voortplantingswater. De paartijd duurt tot eind juni - begin juli, met een piek tussen begin mei en half juni. Hierbij wordt hoofdzakelijk 's avonds gekwaakt, maar ook wel overdag op warme zonnige dagen. Het geluid van de meerkikker is te onderscheiden van de poelkikker.
Overdag houdt de meerkikker zich voornamelijk op aan de rand van het water tussen de oevervegetatie. Het tellen van plonzen van in het water vluchtende kikkers, geeft goede resultaten. Vanaf de eerste helft van mei kunnen de legsels worden aangetroffen, die vaak tussen planten liggen die wat verder van de kant af staan. Van half juni tot half augustus is het grootste aantal larven te vinden.
- avondtellingen van kooractiviteit bij het voortplantingswater (mei t/m juni)
- zoeken van eiklompen (half mei t/m half juni)
- tellen van plonzen (juni t/m augustus)
- zoeken van larven (half juni t/m half augustus)
- zoeken van pas gemetamorfoseerde kikkertjes (augustus)