Zoeken
donderdag 17 mei 2012  Forum Registreren  Inloggen
Nieuwe namenlijst vissen
Laatste Bericht 20 jul 2008 12:58 door tekenaar. 17 Antwoorden.
Printer Vriendelijk
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
Sorteer Berichten:
VorigVorig VolgendeVolgende
U bent niet gemachtigd om antwoord te kunnen geven.
Auteur Berichten
Frank SpikmansGebruiker is Offline
New Member
New Member
Posts:23

--
16 jun 2008 02:29
    Naar aanleiding van het verschijnen van het nieuwe handboek van Europese zoetwatervissen (Kottelat & Freyhof, 2007) bleek het nodig de gehanteerde Nederlandse en wetenschappelijke namen van een aantal vissoorten te herzien. De nieuwe namen die in dit handboek genoemd worden, zijn in de meeste gevallen door RAVON overgenomen. Voor de stekelbaarzen is door RAVON voor een conservatievere opstelling gekozen. In het bijgevoegde werkdocument wordt een complete lijst weergegeven van de Nederlandse vissoorten en hun wetenschappelijke naam. Daar waar veranderingen zijn doorgevoerd, wordt dit in het werkdocument toegelicht.

    Deze lijst zal door RAVON in haar publicaties gehanteerd worden. Vast staat dat de taxonomie geen statisch gebeuren is. Er worden continue nieuwe inzichten opgedaan, zodat regelmatig herziening van deze lijst nodig blijft. Om deze reden wordt deze lijst in een werkdocument gepresenteerd.

    Het invoeren van nieuwe namen roept vaak discussie op. Hierbij is eenieder uitgenodigd in dit forum de discussie te openen of er aan deel te nemen. Het werkdocument wordt ook toegestuurd aan de belangrijkste instanties in het werkveld. Hen wordt gevraagd deze lijst ook te gaan gebruiken en/of deel te nemen aan de discussie.

    Frank Spikmans, Paul Veenvliet en Jan kranenbarg




    1616292161271.pdf

    arjanGebruiker is Offline
    New Member
    New Member
    Posts:4

    --
    16 jun 2008 10:51
    Mooie lijst, maar wel een klein puntje: soortnamen zijn eigennamen. We hebben het niet over de Pungitius pungitius, evenmin als we het over de Willem hebben in ons taalgebied. In Duitsland is dat anders.

    Of je Kottelat echt wilt volgen, terwijl deze publcatie in eigen beheer is uitgegeven is overigens wat mij betreft nogal twijfelachtig.


    tekenaarGebruiker is Offline
    Basic Member
    Basic Member
    Posts:236

    --
    17 jun 2008 10:21
    Je hebt uiteraard gelijk wat betreft (niet) gebruik van lidwoorden voor wetenschappelijke namen, al is m.i. de reden dat in het latijn geen lidwoorden worden gebruikt maar in plaats daarvan vervoegingen van de woorden.

    Kottelat & Freyhof geven in hun boek nauwelijks achtergrondinformatie voor de keuzes voor specifieke namen (dan zou het boek nog vele malen dikker moeten zijn), maar hebben wel een goed overzicht van recente wetenschappelijke bevindingen. Vandaar dat hun lijst erg vernieuwend overkomt. Een deel van de achtergrondredenaties is te vinden in de eerdere publicatie van Kottelat (heuristic checklist...) een ander deel in de door hen geciteerde bronnen. Deze zijn wel peer-reviewed.


    Frank SpikmansGebruiker is Offline
    New Member
    New Member
    Posts:23

    --
    17 jun 2008 10:54
    De vraag werd me nog voorgelegd wat we zullen doen met de uitslag van de discussie.

    Als uit de discussie blijkt dat er goede redenen zijn het anders te doen, passen we de lijst aan. Als de discussie afgerond is (na een of enkele maanden), sturen we een 'definitieve' lijst rond. Hoewel er op dit gebied natuurlijk weinig definitief is en er telkens nieuwe inzichten opgedaan worden.


    MennoGebruiker is Offline
    New Member
    New Member
    Posts:1

    --
    17 jun 2008 01:37

    Wat zeer verwarrend is is het handhaven van de naam houting. Voor mij is dit dan verglijkbaar met dat mensen voor gevlekte Amerikaanse rivierkreeft de naam Amerikaanse rivierkreeft gebruiken.

    Het is een beleidsrelevante soort, dus moet m.i. echt helder zijn dat Deense houtingen (of welke naam je dan ook gaat gebruiken) die nu in onze wateren rondzwemmen echt iets anders zijn dan de houtingen die we als beschermd op onze lijsten hebben opgenomen. Ze zijn namelijk exoot.

    Groeten,

    Menno



    tekenaarGebruiker is Offline
    Basic Member
    Basic Member
    Posts:236

    --
    17 jun 2008 02:51
    We hebben bij de voorbereiding van deze lijst een vergelijkbare discussie gehad over het handhaven van de naam "rivierdonderpad" voor Cotus perifretum. Een stukje uit de mailwisseling:

    Wat mij betreft is er nog een onbesproken discussiepunt over: de Nederlandse naam van Cottus perifretum. Ik denk dat het verwarrend is dat dezelfde naam ("rivierdonderpad") wordt gebruikt voor 2 verschillende taxa:
    - Cottus sp. (voorheen de verzamelsoort Cottus gobio). (Ja, ik heb gezien dat hij in de lijst staat als "rivier-/beekdonderpad", maar dat lost het slechts ten dele op)
    - Cottus perifretum
    Als iemand zonder nadere specificatie "rivierdonderpad" schrijft, is niet duidelijk of hij de vissen tot op soortniveau heeft gedetermineerd (of zelfs maar op de hoogte is van de opsplitsing).
    wanneer 1 oude soort wordt gesplitst in 2 nieuwe zijn m.i. 2 nieuwe Nederlandse namen nodig... Prijsvraag uitschrijven voor een nieuwe naam? Ik ga voor "meerdonderpad" (al klinkt dat niet lekker).

    Omdat we hier met z'n drieen geen overeenstemming over bereikt hebben, hebben we dit nog niet aangepast.

    In Denemarken wordt de "Deense houting" aangeduid met de naam "helt". Dat klinkt in het Nederlands nog niet eens zo slecht. Maar wordt nu 1 of 2 taxa gevangen?


    arjanGebruiker is Offline
    New Member
    New Member
    Posts:4

    --
    18 jun 2008 01:21
    Nog een puntje: wetenschappelijke namen voor taxa boven het genusniveau worden niet cursief geschreven. Het is dus Gasterosteidae, en niet Gasterosteidae. De geciteerde artikelen heb ik net opgezocht, en voor zover ik kan zien staat het in de oorspronkelijke titels van de geciteerde literatuur wel goed, maar zijn de namen voor dergelijke taxa in de literatuurlijst hier ten onrechte cursief gezet.

    Ik vond ook nergens in dit document een reden voor de volgorde van de lijst. Die is nu alfabetisch gesorteerd op de Nederlandse namen. Voor een bioloog, maar ook voor een niet-nederlandssprekende die geinteresseerd is in wat er in Nederland te vinden is, is dat op zijn zachtst gezegd erg onhandig. Waarom is er niet gewoon een taxonomische indeling gebruikt? Dit sluit aan bij het punt hierboven genoemd door Paul: voor de Nederlandse namen geldt geen nomenclatuur zoals die voor de wetenschappelijke namen wel geldt. In het laatste geval is het nu nog steeds duidelijk wat bedoeld wordt met Cottus gobio, terwijl de Nederlandse naam "rivierdonderpad" sinds de laatste revisie betrekking heeft op twee soorten, die ook nog eens geen van beide identiek zijn aan de soort die er voorheen mee werd aangeduid.

    Voorts staan er verschillende taxa genoemd als "Genus onbepaald". Voor een lijst met te gebruiken namen op waarnemingsformulieren zou een opmerking over hoe om te gaan met onduidelijke determinaties volstaan, en in een checklist heeft dit eerder de betekenis dat er nog niet geidentificeerde soorten rondzwemmen. In het geval van het genus Cottus interpreteer ik de lijst als volgt: Er zijn nu twee soorten bekend uit Nederland: Cottus rhenanus en Cottus perifretum, en er zwemt een derde rond die niet beschreven is, of nog niet gedetermineerd kon worden. Het lijkt me dan ook niet wenselijk de 'specs' 'indets' en 'cfs' op te nemen in een lijst die een volledige lijst van voorkomende soorten moet zijn. Als ik het mis heb is misschien een opmerking hierover in de inleiding wel wenselijk.

    Als laatste is het een goed gebruik achter de wetenschappelijke naam ook de eerste auteur te vermelden. Dat kan verwarring in geval van naamswijzigingen voorkomen.


    tekenaarGebruiker is Offline
    Basic Member
    Basic Member
    Posts:236

    --
    19 jun 2008 01:14
    Er staat in de publicatie van Freyhof een niet nader onderbouwde en wat onduidelijke zin waaruit je zou kunnen opmaken dat dit inderdaad het geval is: mogelijk drie donderpadden in NL (Freyhof et al, Ichthyological explorations... moet nazoeken wat de hele referentie is maar ik bedoel het artikel waarin een heleboel donderpadden worden beschreven). Voorlopig houd ik het er liever op dat we C. rhenanus en C. perifretum hebben, en dat de situatie in noordoost Nederland onduidelijk is (zitten daar wel donderpadden?).

    De lijst is inderdaad bedoel om er "soortcodes" aan te hangen die b.v. op waarnemingskaartjes kunnen komen. Hiervoor zijn categorieen als "Cottus sp." wel nuttig. Mischien is het beter om een lijst met alleen soorten te maken en vervolgens onderaan een aantal "verzamelcategorieen" toe te voegen. In ieder geval "Cottus sp." , "forel sp." "en priklarve sp." met de kanttekeing dat dit bepaald geen wetenschappelijk verantwoorde kategorieen hoeven zijn. In het veld komt immers niet iedereen verder dan dit. Hele erge algemene zijn wel weer onzinnig, zoals "witvis sp.". Wat te doen met hybriden? (Lijken me zeker ecologisch relevant!)

    Nog een kanttekening die niet in het voorstel staat:
    We zijn er nog van uitgegaan dat in NL maar 1 soort kleine modderkruiper voorkomt, bij gebrek aan genetisch onderzoek. Wanneer je naar de situatie elders in Europa kijkt hoeft dit niet zonder meer juist te zijn. Er kunnen soorten naast elkaar voorkomen die er hetzelfde uitzien maar een verschillend chromosomenaantal hebben. Voor de bescherming van "kleine modderkruipers" is dat een erg belangrijk gegeven: best mogelijk dat we 1 algemene en een aantal zeer zeldzame endemen heben. Zolang ze allemaal op 1 hoop worden gegooit zijn alle populaties "even belangrijk". Wie pakt deze uitdaging op en gaat kleine modders analyseren?

    Wat betreft niet cursief zetten van familienamen: helemaal mee eens (vissen zijn immers geen planten!)

    Volgorde van de lijst: moet je bij Frank zijn (reageer jij even?). Ik kan me voorstellen dat we er uiteindelijk een excell file van moeten maken: kan iedereen ze sorteren zoals hij wil. De default zou wat mij betreft ook systematisch moeten zijn maar beleidsmakers kunnen daar weinig mee. Aangezien we de naamgeving van K & F als basis nemen (maar niet zonder meer overal aanhouden) wil ik voorstellen ook de volgorde van de soorten uit K & F aan te houden.

    Auteur van soorsnamen: dan ofwel achternaam auteur & jaartal ofwel auteur1 & auteur 2 & jaartal ofwel auteur1 et al. jaartal, lijkt me. Zo ongeveer oals je een wetenschappelijk artikel citeerd met, indien toepasselijk, auteursnamen tussen haakjes. En, ja, ik ben het hier mee eens. Collega's wat vinden jullie?

    p.s. "Cottus gobio" is niet steeds duidelijk: wordt daarmee de oude "verzamelsoort" bedoeld van (bijna) alle Europese donderpadden of het minder wijd verspreide taxon wat door Freyhof et al. als "Cottus gobio" is aangeduid? Auteursnaam is in beide gevallen hetzelfde. Er zou een toevoeging bij moeten "senzu ... " maar hoeveel beleidsmakers kunnen daar nog mee uit de voeten?


    arjanGebruiker is Offline
    New Member
    New Member
    Posts:4

    --
    19 jun 2008 03:30
    Geplaatst door Paul Veenvliet op 19-06-2008 14:14
    Er staat in de publicatie van Freyhof een niet nader onderbouwde en wat onduidelijke zin waaruit je zou kunnen opmaken dat dit inderdaad het geval is: mogelijk drie donderpadden in NL (Freyhof et al, Ichthyological explorations... moet nazoeken wat de hele referentie is maar ik bedoel het artikel waarin een heleboel donderpadden worden beschreven). Voorlopig houd ik het er liever op dat we C. rhenanus en C. perifretum hebben, en dat de situatie in noordoost Nederland onduidelijk is (zitten daar wel donderpadden?).

    De lijst is inderdaad bedoel om er "soortcodes" aan te hangen die b.v. op waarnemingskaartjes kunnen komen. Hiervoor zijn categorieen als "Cottus sp." wel nuttig. Mischien is het beter om een lijst met alleen soorten te maken en vervolgens onderaan een aantal "verzamelcategorieen" toe te voegen. In ieder geval "Cottus sp." , "forel sp." "en priklarve sp." met de kanttekeing dat dit bepaald geen wetenschappelijk verantwoorde kategorieen hoeven zijn. In het veld komt immers niet iedereen verder dan dit. Hele erge algemene zijn wel weer onzinnig, zoals "witvis sp.". Wat te doen met hybriden? (Lijken me zeker ecologisch relevant!)
     
    Uit de insectenwereld weet ik dat er eigenlijk nooit iets gedaan wordt met onduidelijke waarnemingen. Vaak is het zo dat je één heel algemene soort, en een veel zeldzamere hebt die er erg op lijkt. Hoewel het verleidelijk is je niet volledig gedetermineerde exemplaren evenredig te verdelen, of toe te kennen aan de algemeenste geeft dit, hoe je het ook aanpakt, een flinke ruis in je data, waardoor statistiek op een later tijdstip niet goed meer toe te passen is. Vaak worden bijzonderheden als hybriden dan ook gewoon als extra genoemd in een opmerkingenveld.

    Nog een kanttekening die niet in het voorstel staat:
    We zijn er nog van uitgegaan dat in NL maar 1 soort kleine modderkruiper voorkomt, bij gebrek aan genetisch onderzoek. Wanneer je naar de situatie elders in Europa kijkt hoeft dit niet zonder meer juist te zijn. Er kunnen soorten naast elkaar voorkomen die er hetzelfde uitzien maar een verschillend chromosomenaantal hebben. Voor de bescherming van "kleine modderkruipers" is dat een erg belangrijk gegeven: best mogelijk dat we 1 algemene en een aantal zeer zeldzame endemen heben. Zolang ze allemaal op 1 hoop worden gegooit zijn alle populaties "even belangrijk". Wie pakt deze uitdaging op en gaat kleine modders analyseren?
     
    Dit zou op kunnen gaan voor iedere soort. Moleculair werk is helaas mijn ding niet, maar ik wil best voor materiaal zorgen als je een vrijwilliger vindt

    Wat betreft niet cursief zetten van familienamen: helemaal mee eens (vissen zijn immers geen planten!)

    Volgorde van de lijst: moet je bij Frank zijn (reageer jij even?). Ik kan me voorstellen dat we er uiteindelijk een excell file van moeten maken: kan iedereen ze sorteren zoals hij wil. De default zou wat mij betreft ook systematisch moeten zijn maar beleidsmakers kunnen daar weinig mee. Aangezien we de naamgeving van K & F als basis nemen (maar niet zonder meer overal aanhouden) wil ik voorstellen ook de volgorde van de soorten uit K & F aan te houden.
     
    Ik heb weinig ervaring met beleidsmakers, maar het lijkt me dat je ze niet hoeft te onderschatten. De meeste (semi)overheidsinstanties hebben ook biologen in dienst. Bovendien hebben alle families ook een Nederlandse naam, die je gewoon op kunt nemen. Misschien wordt het dan zelfs voor een leek makkelijker chocola van een willekeurige lijst te maken?

    Auteur van soortsnamen: dan ofwel achternaam auteur & jaartal ofwel auteur1 & auteur 2 & jaartal ofwel auteur1 et al. jaartal, lijkt me. Zo ongeveer oals je een wetenschappelijk artikel citeerd met, indien toepasselijk, auteursnamen tussen haakjes. En, ja, ik ben het hier mee eens. Collega's wat vinden jullie?
     
    Hier zijn regels voor: [auteur(s), jaartal] zonder haken als de soort nooit in een nieuw genus ondergebracht is na beschrijving, of beter omschreven: als de situatie zo is als hij was op het moment dat de soort beschreven werd. En diezelfde [(auteur(s), jaartal)] tussen haken als de soort al eens van het ene naar het andere genus is verhuisd. En inderdaad, als er meer dan twee auteurs aan de originele beschrijving gewerkt hebben mag een et al. ook.

    p.s. "Cottus gobio" is niet steeds duidelijk: wordt daarmee de oude "verzamelsoort" bedoeld van (bijna) alle Europese donderpadden of het minder wijd verspreide taxon wat door Freyhof et al. als "Cottus gobio" is aangeduid? Auteursnaam is in beide gevallen hetzelfde. Er zou een toevoeging bij moeten "senzu ... " maar hoeveel beleidsmakers kunnen daar nog mee uit de voeten?
     
    Omdat je voor de indeling van de lijst het artikel van Freyhof et al. gebruikt, bedoel je met Cottus gobio automatisch het taxon dat als zodanig door hen wordt aangeduid met deze naam. Als je de verzamelnaam bedoelt, zul je dat moeten verduidelijken door bijvoorbeeld Cottus gobio s.l. (in bredere zin) neer te zetten. Omdat er hier geen conflict tussen denkbeelden van verschillende auteurs besproken wordt, is de term sensu m.i. niet nodig.




    Sander HuninkGebruiker is Offline
    New Member
    New Member
    Posts:42

    --
    05 jul 2008 11:27
    In het nieuwe boek van Kottelat & Freyhof, 2007 wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen driedoornige en tiendoornige stekelbaarzen. Nu RAVON dit onderscheid ook wil maken door de naamgeving te veranderen, erkent RAVON dat er daadwerkelijk verschillende vormen in Nederland voorkomen. Is dit laatste juist? Is hier bewijs voor, of is dit onderscheid nog onderwerp van discussie? Bij discussie vind ik het niet meer als schappelijk om eerst de discussie te voeren, voordat RAVON de verschillende soorten erkent.
    Als vrijwilliger ben ik hier wel geinteresseerd in, ik zou graag het verschil willen kunnen zien om de soort juist te determineren. Bij verandering van de namenlijst zou ik dan ook graag willen zien dat RAVON van soorten die meerdere vormen hebben een duidelijke determinatietabel komt (als aanvulling/wijziging op de determinatietabel Herkennen van Vissen?). Ook Paul Veenvliet, één van de opstellers van de lijst, vraagt hier in principe naar in zijn eerdere bericht op dit zelfde forum (bericht 17 januari 2008). Nu Paul meegewerkt heeft aan de lijst en de verschillende vormen aangeeft, neem ik dus aan dat de verschillende vormen dan ook in Nl voorkomen?


    tekenaarGebruiker is Offline
    Basic Member
    Basic Member
    Posts:236

    --
    05 jul 2008 02:57
    de termen "vorm" en "soort" hebben een verschillende betekenis. En ja, de verschillende vormen van beide soorten komen in Nederland voor.


    Heel in het kort:

    Driedoorn: verschil zit in het aantal beenplaten. Trekkende vormen, dicht bij de kust, hebben meer beenplaten dan niet-trekkende binnenlandvormen. K & F noemen deze vormen "soorten" maar gaan voorbij aan de (vrij uitgebreide) literatuur waaruit blijkt dat de "naakte vorm" op veel plaatsen (wereldwijd!) onafhankelijk is ontstaan uit de "volledig beplate vorm". Je kan dus niet alle "naakte driedoorns" op 1 hoop vegen en 1 "soort" noemen. Je kan ze wel een "vorm" noemen. Wat je ook kan doen is alle naakte vormen uit verschillende rivieren als zelfstandige soorten beschouwen, waarvoor een grootschalig genetisch en morfologish onderzoek nodig is. Dit is m.i. nog niet op een overtuigende manier gedaan in Europa. Dus ofwel 1 soort met een aantal vormen/ecotypen ofwel een heleboel soorten maar GEEN 2 of 3 soorten. Dat er een verschil in beenplaat-aantallen bestaat, is niets nieuws: dat staat al in de oudste publicates over stekelbaarsjes.

    Tiendoorns: tja, da's lastiger. De verschillen zijn subtiel en weinig mensen hebben er echt naar gekeken. Best mogelijk dat K & F gelijk hebben, maar het wachten is tot iemand dit eens echt uitzoekt in het gebied waar beide vormen elkaar tegenkomen (= in Nederland!). Niemand weet of ze "willekeurig kruisen" (wat driedoorn-vormen wel schijnen te doen) of bijvoorbeeld ecologisch gescheiden zijn. Verschillende mensen hebben al wel aangegeven tiendoorns met kenmerken van beide vormen in dezelfde watertjes te vangen. Kenmerken: aan/afwezigheid van de kiel op de staartwortel en vorm van de staartvin (rechte achterrand versus ronde). Overigens zijn tiendoorns echt enorm variabel van bouw, kleurpatroon en andere kenmerken, dus dat wordt een hele grote studie...

    We denken over een tweede druk van de tabel, maar ik weet niet of er ruimte is om deze aanvulling hierin op te nemen. Deze tweede druk zal in beeld komen als de eerste druk tegen uitverkocht loopt, we denken dat wellicht van de winter het geval is. Een losse "aanvuling" lijkt me best wenselijk (ook naar aanleiding van de splitsing van donderpadden), maar nog niet ter sprake gekomen. Ik vermoed dat financien een struikelblok zijn (kost immers best wat tijd om dit op een goede manier te maken, en ikzelf heb niet de financiele armslag om me te kunnen veroorloven dit voor "het goede doel" in vrije tijd te doen).

    Voor alle duidelijkheid: we vinden dat er op dit moment onvoldoende informatie is om tiendoorns als soorten te erkennen en denken dat driedoorns prima als vormen te herkennen zijn, maar dat het wetenschappelijk niet correct is deze driedoorn-vormen "soorten" te noemen. Wel verschillende "vormen" dus, maar geen verschillende "soorten".

    Omdat de lijst o.a. bedoeld is als basis voor een uniforme naamgeving op waarnemingsformulieren, en we waarnemers de mogelijkheid willen geven om de vormen apart te regstreren, hebben we ze gescheiden opgenomen. Door ze apart te noemen hopen we ook dat er meer op gelet gaat worden. Ook als het geen afzonderlijke soorten zijn, hebben aan verschillende habitats aangepaste vormen een verschillende rol in de natuur (en natuurbescherming).


    JoostGebruiker is Offline
    New Member
    New Member
    Posts:1

    --
    06 jul 2008 12:06
    Zeer interessante discussie. Hier een bijdrage vanuit België, met een overzicht van de taxonomische inzichten omtrent de driedoornige stekelbaars in de Lage Landen en wereldwijd. De nadruk van mijn betoog ligt op Vlaanderen, maar ons lopend onderzoek toont dat de situatie in Nederland dezelfde is. Ik sluit mij aan bij Paul Veenvliet, maar stel voor het definitief bij Gasterosteus aculeatus L. te houden, en bijgevolg het advies van Kottelat & Freyhof (2007) te verwerpen.

    Cuvier & Valenciennes (1829) hebben ooit al een poging ondernomen om Gasterosteus aculeatus L. op te splitsen in verschillende soorten. Bertin (1925) heeft dat dan weer bijgestuurd en verwijst naar subsoorten met de benamingen trachurus/leiurus/semiarmatus. Sinds Heuts (1947a,b) is ook dit van de baan. Hij merkte op dat de polder(kust)-populaties in Vlaanderen polymorf zijn: de drie types komen naast elkaar voor, en er zijn geen aanwijzingen dat ze reproductief gescheiden zijn. Raeymaekers et al. (2005, 2007) bevestigen dat er in polder/kust populaties inderdaad geen genetisch onderscheid is tussen de drie types, behalve dan voor het gen verantwoordelijk voor het aantal beenplaten. Dit volstaat uiteraard niet om van verschillende soorten te spreken. Meer landinwaarts komt enkel het laagplatige type voor. Waar de polder(kust)-populaties gedeeltelijk anadroom zijn (of al deze populaties dit gedrag vertonen, en of er een verband is tussen anadroom gedrag en het aantal beenplaten is niet duidelijk), zijn de landinwaartse populaties residentieel. Dit is een duidelijk onderscheid, en Raeymaekers et al. (2007) spreken daarom van het lowland ecotype (kust/polder) versus het upland ecotype (landinwaartse poelen, grachten en rivieren), of kortweg van het lowland-upland systeem. Upland populaties zijn genetisch te onderscheiden van lowland populaties doordat ze genetisch verarmd zijn, maar dit is louter een kolonisatie-effect en zegt absoluut niets over de soortstatus. Om dezelfde reden zijn upland populaties uit verschillende rivierbekkens genetisch zeer divers (zie Raeymaekers et al 2005, 2007, 2008).

    Wereldwijd spreekt men van het stekelbaars-soortencomplex Gasterosteus aculeatus, waartoe naast het lowland-upland systeem nog een achttal andere systemen behoren. Deze noemt men gemakshalve "soortenparen". Zo is er ook nog het benthic/limnetic soortenpaar en het lake/stream soortenpaar. Voor geen enkel van de systemen, hoe verscheiden de ecotypes ook moge zijn, maken onderzoekers aanstalten om de verschillende types als verschillende soorten te erkennen. Dit komt voornamelijk omdat de verschillen evolutionair zeer jong zijn. Maar, omdat de verschillen toch belangrijk zijn en omdat intraspecifieke variatie tenslotte ook deel uitmaakt van de biodiversiteit, wordt er naar wetgeving toe best wel de nadruk op gelegd.

    Kottelat & Freyhof (2007) staan dus alleen met hun standpunt om het stekelbaarscomplex op te splitsen in verschillende soorten. Het morfologisch soortconcept dat ze hanteren lijkt mij in het geval van de driedoornige stekelbaars onoordeelkundig. Dit zou betekenen dat onze upland populaties en de laagplatige lowland individuen samen een aparte soort vormen, en de hoogplatige lowland individuen een andere soort. Dit beantwoordt absoluut niet aan de realiteit.

    Op onderzoeksvlak zou het zeer interessant zijn om de precieze verspreiding van de lowland en upland populaties in Vlaanderen en Nederland in kaart te brengen, alsook de stabiliteit van deze verspreiding in de tijd. Naar aanleiding van deze discussie zou ik dan ook een oproep willen doen voor personen die hieraan graag willen meewerken. Hieronder vindt u mijn contactgegevens.

    Enkele referenties:
    Bertin, L. 1925. Recherches bionomiques, biométriques et systématiques sur les Epinoches (Gastérostéides). Annales de l’Institut Océanographique Monaco 2: 1-204.

    Heuts, M.J. 1947. The phenotypical variability of Gasterosteus aculeatus L. populations in Belgium. Verhandelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België 9: 1-63.

    Heuts, M.J. 1947. Experimental studies on adaptive evolution in Gasterosteus aculeatus L. Evolution 1: 89-102.

    Mäkinen, H.S., Cano, J.M. & Merilä, J. 2006. Genetic relationships among marine and freshwater populations of the European three-spined stickleback (Gasterosteus aculeatus) revealed by microsatellites. Molecular Ecology 15: 1519-1534.

    Raeymaekers, J.A.M., Maes, G.E., Audenaert, E. & Volckaert, F.A.M. 2005. Detecting Holocene divergence in the anadromous-freshwater three-spined stickleback (Gasterosteus aculeatus) system. Molecular Ecology 14: 1001-1014.

    Raeymaekers, J.A.M., Van Houdt, J.K.J., Larmuseau, M.H.D., Geldof, S. & Volckaert, F.A.M. 2007. Divergent selection as revealed by PST and QTL-based FST in three-spined stickleback (Gasterosteus aculeatus) populations along a coastal-inland gradient. Molecular Ecology 16: 891-905.

    Raeymaekers, J.A.M., Maes, G.E., Geldof, S., Hontis, I., Nackaerts, K. & Volckaert, F.A.M. 2008. Modelling genetic connectivity in sticklebacks as a guideline for river restoration. Evolutionary Applications: doi: 10.1111/j.1752-4571.2008.00019.x.

    Raeymaekers, J.A.M., Huyse, T., Maelfait, H., Hellemans, B. & Volckaert, F.A.M. In press. Community structure, population structure and topographical specialisation of Gyrodactylus (Monogenea) ectoparasites living on sympatric stickleback species. Folia Parasitologica.

    Groeten,

    Joost Raeymaekers
    K.U. Leuven
    Laboratory for Animal Diversity and Systematics
    Ch. de Bériotstraat 32
    B-3000 Leuven
    Belgium
    E-mail: joost.raeymaekers@bio.kuleuven.be
    Website: http://bio.kuleuven.be/de/dev/contact.html
    Phone: +32 16 32 39 66 (secretariat) or +32 16 32 42 96
    Fax: +32 16 32 45 75


    menno soesGebruiker is Offline
    New Member
    New Member
    Posts:1

    --
    06 jul 2008 08:06

    Nu we ook een bijdrage hebben van onze zuiderburen wil ik ook graag nog even die rivierdonderpadden aanroeren. M.i. is namelijk een niet al te gelukkige keuze gemaakt t.a.v. de naam 'beekdonderpad'.

    Tot op heden zijn er volgens Freyhof, Nolte, etc. drie typen Cottus in Nederland en Belgie vastgesteld: zuivere rhenanus (= beekdonderpad), zuivere perifretum (= rivierdonderpad, vermoedelijk niet in Nederland) en een hybride (= ook rivierdonderpad). Het lijkt relevant voorlopig een onderscheid te maken tussen zuivere beekpopulaties en de rest, ondanks dat discussie over de soortstatus misschien nog niet gesloten is. Dat de boel niet volledig is uitgekristalliseerd blijkt bijvoorbeeld uit dat de hybride vrij willekeurig onder de naam perifretum lijkt te zijn weggeschoven.

    Toen bleek dat we twee typen in Nederland hadden circuleerde de namen ruwe en gladde rivierdonderpad. Dit is m.i. een veel betere keuze. C. perifretum in in Belgie immers een echte beekdonderpad. Wanneer je dan nog verder onderscheid wenst dan kan je de hybride bijvoorbeeld bastaardrivierdonderpad noemen. De overkoepelende naam rivierdonderpadden is dan ook nog bruikbaar. Ook voor het verzinnen van Nederlandse namen voor soorten elders in Europa is dit een bruikbaardere constructie.

    Menno



    tekenaarGebruiker is Offline
    Basic Member
    Basic Member
    Posts:236

    --
    06 jul 2008 11:11
    Dus "bastaarddonderpad" of, beter, "ruwe donderpad" met als wetenschappelijke naam Cottus sp. aff. perifretum?

    En gladde donderpad = C. rhenanus?

    "Rivierdonderpad" = hele complex van soorten?

    Voel ik eerlijk gezegd veel voor.


    Frank SpikmansGebruiker is Offline
    New Member
    New Member
    Posts:23

    --
    07 jul 2008 12:37
    Het gebruik van ruwe donderpad voor de Cottus perifretum is niet handig. Grotere exemplaren (> 6 cm) van de C. perifretum zijn namelijk ook vaak glad. Dat blijkt ook uit de studie die we momenteel samen met Natuurbalans - Limes Divergens uitvoeren voor LNV. Beekdonderpadden zijn ook niet altijd glad. Het rapport hierover verschijnt spoedig waarin het e.e.a. verduidelijkt wordt.


    Frank SpikmansGebruiker is Offline
    New Member
    New Member
    Posts:23

    --
    07 jul 2008 01:06
    Reactie op oproep van Joost Raeymaekers:

    "Op onderzoeksvlak zou het zeer interessant zijn om de precieze verspreiding van de lowland en upland populaties in Vlaanderen en Nederland in kaart te brengen, alsook de stabiliteit van deze verspreiding in de tijd. Naar aanleiding van deze discussie zou ik dan ook een oproep willen doen voor personen die hieraan graag willen meewerken. Hieronder vindt u mijn contactgegevens."

    De namenlijst die we hebben is gericht op het gebruik in waarnemings-invoer-programma's als www.telmee.nl.
    Juist door in deze lijst de verschillende vormen van de driedoornige stekelbaars te noemen, hopen we dat er door waarnemers meer aandacht aan gegeven wordt en deze waarnemingen ook geregistreerd worden.



    koen de gelasGebruiker is Offline
    New Member
    New Member
    Posts:1

    --
    08 jul 2008 10:50
    Een reactie op het bericht van Paul Veenvliet over de naamgeving van de kleine modderkruiper:
     
    Nog een kanttekening die niet in het voorstel staat:
    We zijn er nog van uitgegaan dat in NL maar 1 soort kleine modderkruiper voorkomt, bij gebrek aan genetisch onderzoek. Wanneer je naar de situatie elders in Europa kijkt hoeft dit niet zonder meer juist te zijn. Er kunnen soorten naast elkaar voorkomen die er hetzelfde uitzien maar een verschillend chromosomenaantal hebben. Voor de bescherming van "kleine modderkruipers" is dat een erg belangrijk gegeven: best mogelijk dat we 1 algemene en een aantal zeer zeldzame endemen heben. Zolang ze allemaal op 1 hoop worden gegooit zijn alle populaties "even belangrijk". Wie pakt deze uitdaging op en gaat kleine modders analyseren?

    Zeer recent heb ik de genetische structuur van kleine modderkruiper (s.l.) in Vlaanderen onderzocht. Uit de studie is gebleken dat in een groot aantal populaties de zuivere soort kleine modderkruiper (Cobitis taenia, diploid) samen voorkomt met een hybride (triploide) vorm. Het aandeel van de hybride vorm is sterk variabel en schommelt tussen 0 en 100% in bepaalde populaties. Dit is trouwens een algemeen fenomeen in Europa (zie ook Janko et al 2007 in Journal of Fish Biology). Over de dynamiek binnen het cobitis-hybride complex is helaas nog weinig bekend. Het is voorlopig dus moeilijk om uit te maken wat het evenwicht tussen de diploide en de triploide vorm bepaalt.We konden ook duidelijk aantonen dat de hybride vorm uit een (klein) aantal clonale lijnen bestaat.
    Er werd ook één populatie uit Nederland onderzocht (Grootte Molenbeek, zijbeek Maas, Peelregio in Nederlands Limburg). Deze populatie bestond voor 58% uit hybride individuen. Volgens mij is de hypothese van 1 algemene vorm en een aantal zeer zeldzame endemen niet correct en komen er in Nederland ook op ruim verspreide schaal hybriden voor, al kunnen er geografische verschillen zijn in het voorkomen van de hybride vorm.
     
    Wat betreft het genetisch onderzoek van Nederlandse populaties ben ik bereid om de mogelijkheden voor een samenwerking te bekijken, contacteer me voor meer details. Ik heb een set van 11 microsatelliet merkers ontwikkeld die zeer geschikt is voor populatie-genetisch onderzoek bij kleine modderkruiper.
     
    Groeten,
    Koen De Gelas
    Instituut voor Natuur- en BosOnderzoek (INBO)
    &
    Laboratorium voor Diversiteit en Systematiek van Dieren (K.U.Leuven)
     


    tekenaarGebruiker is Offline
    Basic Member
    Basic Member
    Posts:236

    --
    20 jul 2008 12:58
    Da's erg interessante informatie. Voor zover ik uit literatuur heb kunnen opmaken is er geen uiterlijk verschil tussen de triploide en diploide kleine modderkruipers. Klopt het dat een "scheve geslachtsverhouding" te verwachten is bij aanwezigheid van triploiden, omdat triploiden steeds vrouwtjes zijn? (Ter info: ik heb net vissen bemonsterd in Polen, en heb daar in een riviertje gericht naar de geslachtverhouding gekeken: van een stuk of 40 kleine modders waren er maar 2 of 3 mannetjes.)

    Ik denk dat we de Nederlandse naam "kleine modderkruiper" kunnen blijven gebruiken voor het hele complex (in noordwest Europa), maar dat we de wetenschappelijke naam iets moeten aanpassen. Is Cobitis taenia synklepton een correcte aanduiding?


    U bent niet gemachtigd om antwoord te kunnen geven.


     Private Messages          
    You must be logged in to use this module.
      

     Fotoalbum laatste foto’s
    Alytes obstetricans
    Kenny De Boeck
    Parque Natural Sierra Norte de Sevilla, Andalusia. mei 2012
    Edo Goverse
    Parque Natural Sierra Norte de Sevilla, Andalusia. mei 2012
    Edo Goverse
      

     Gebruikers Online         
    Lidmaatschap Lidmaatschap:
    Laatste nieuw lid Laatste: leobin
    Nieuw vandaag Nieuw vandaag: 0
    Nieuw gisteren Nieuw gisteren: 0
    Aantal leden Totaal: 1183

    Personen online Gebruikers online:
    Bezoekers Bezoekers: 70
    Leden Leden: 0
    Totaal Totaal: 70

    Nu online Nu Online:
      

    © PlumIT